Hof Den Haag 18 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2480

Belanghebbende, X, heeft geheel 2013 gewerkt op een binnenschip met een Rijnvaartcertificaat en een in Nederland gevestigde exploitant. De werkgever van X is gevestigd op Cyprus. De SVB heeft een A1-verklaring afgegeven waarin de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is verklaard. De Inspecteur heeft voor het jaar 2013 geen vrijstelling premieheffing volksverzekeringen verleend. Na de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852, dat de SVB de Belgische wetgeving van toepassing had moeten verklaren, zijn partijen het erover eens dat de aanslag premieheffing moet worden vernietigd. Het Hof wijst het verzoek om vergoeding van (im)materiële schade af. De gemachtigde heeft de stelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de onderhavige zaak laten varen. Voor zover X aan zijn verzoek ten grondslag legt dat de SVB tot tweemaal toe een besluit heeft genomen dat door de CRvB is vernietigd, geldt dat de SVB geen partij is in de onderhavige procedure en niet gezegd kan worden dat het handelen van de SVB aan de Inspecteur kan worden toegerekend. Het verzoek om vergoeding van integrale kosten van beroepsmatige rechtsbijstand wijst het Hof eveneens af. De Inspecteur heeft in de bezwaar- en beroepsfase niet een bij voorbaat onhoudbaar standpunt ingenomen en dat tot in hoger beroep gehandhaafd. De Inspecteur dient zich te richten naar de SVB-verklaring dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken