Hof Den Haag 9 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2020

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Gelijk de rechtbank heeft overwogen ligt de bewijslast voor het terecht opleggen van de naheffingsaanslag bij de heffingsambtenaar en ligt het, nu belanghebbende in bezwaar en beroep heeft aangevoerd dat rond de parkeerplaats geen bebording en/of parkeerapparatuur aanwezig is waaruit het ter plaatse geldende parkeerregime blijkt, op de weg van de heffingsambtenaar om het tegendeel aannemelijk te maken. De heffingsambtenaar heeft in het hoger beroepschrift de verschuldigdheid van parkeerbelasting, anders dan bij de rechtbank, inzichtelijk gemaakt met gegevens en achterliggende stukken. Het Hof acht de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse voldoende kenbaar. Van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich, alvorens zijn voertuig te parkeren, vergewist van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Dit geldt eens te meer nu duidelijk is geworden dat belanghebbende bij het inrijden van de straat bebording met daarop de vermelding van de verschuldigdheid van parkeerbelasting moet zijn gepasseerd en dat aan de overzijde van de straat waar belanghebbende heeft geparkeerd een parkeerautomaat aanwezig is. Het had op zijn weg gelegen onderzoek te doen naar de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Belanghebbende heeft overigens ter zitting verklaard dat het mogelijk is dat hij de bebording en de parkeerautomaat over het hoofd heeft gezien. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar aan de bewijslast heeft voldaan en dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen