Hof Den Haag 3 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1830

Belanghebbende is een woningcorporatie en komt op tegen het haar voor het jaar 2015 op aangifte voldane bedrag aan verhuurderheffing. Het Hof is van oordeel dat de verhuurderheffing geen ongeoorloofde inbreuk vormt op het ongestoorde genot van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Op regelgevend niveau is sprake van een “fair balance” tussen het doel van de heffing en de rechten van de aan die heffing onderworpen belastingplichtigen. Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zich ten aanzien van haar bijzondere, niet voor alle verhuurders geldende feiten en omstandigheden voordoen die een buitensporige last voor haar teweegbrengen. De verhuurderheffing leidt evenmin tot schending van het bepaalde in de artikelen 2 en 8 EVRM. Het beroep is desondanks gegrond. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende geen verhuurderheffing verschuldigd is voor leegstaande woningen die op 1 januari 2015 te koop worden aangeboden. Deze woningen zijn immers niet (meer) voor verhuur bestemd zoals bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, sub e, van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Over de teruggaaf van verhuurderheffing is de Inspecteur gehouden wettelijke rente te voldoen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken