Hof Den Haag 5 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1752
Op 18 december 2001 heeft de gemeenteraad van belanghebbende een huisvestingsplan vastgesteld voor de bouw van een brede school, die twee basisscholen, een peuterspeelzaal en een kinderdagverblijf huisvesten. Belanghebbende heeft met een woningstichting, een bouw- en aannemingsbedrijf en een onderwijsstichting een raamovereenkomst gesloten voor het bouwproject waarin ook in de realisatie van woningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en infrastructuur is voorzien. De stichtingskosten van de brede school bedragen € 5.274.440 inclusief omzetbelasting. De verkoopsom is tussen belanghebbende en de woningcorporatie vastgesteld op € 550.000. Belanghebbende heeft bij verkoop het recht van eerste koop. De te betalen prijs wordt bepaald door de koopsom, de verschuldigde omzetbelasting en overdrachtsbelasting waarbij rekening zal worden gehouden met de vrijval van de afgesproken op te bouwen onderhoudsvoorziening. De aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting door andere ondernemers dan de aannemer heeft belanghebbende als voorbelasting (€ 87.156) in aftrek gebracht. De aannemer heeft in deze periode aan belanghebbende facturen uitgereikt met daarop de vermelding "BTW verlegd" (in totaal € 626.274). Beide bedragen zijn door de Inspecteur nageheven. Belanghebbende dient zorg te dragen voor de huisvesting van scholen in het basisonderwijs. Om haar moverende redenen heeft belanghebbende ervoor gekozen om tezamen met de huisvesting van scholen in het basisonderwijs zorg te dragen voor huisvesting ten behoeve van een kinderdagverblijf en een peuterspeelzaal in hetzelfde gebouw. Het Hof oordeelt dat belanghebbende ter zake van de levering van het gebouw een vergoeding heeft bedongen die circa tien procent van de stichtingskosten bedraagt, dit met het oogmerk een besparing van de verschuldigde omzetbelasting te behalen. Het bedrag dat als tegenprestatie wordt ontvangen vergoedt slechts ten dele de levering van het schoolgebouw en vormt niet de werkelijke tegenwaarde van het schoolgebouw. De hoogte van de vergoeding vergoedt niet de tegenprestatie maar is bepaald op basis van een andere factor, te weten belastingbesparing, waardoor wordt afgedaan aan het rechtstreekse verband tussen de levering en de tegenprestatie. Dit betekent dat de levering van het schoolgebouw niet is verricht onder bezwarende titel in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, van de Wet OB. Er bestaat daarom geen recht op aftrek op de voet van artikel 15 van de Wet OB van de omzetbelasting. Belanghebbende heeft het schoolgebouw laten bouwen om het te gebruiken voor de overdracht aan de woningcorporatie. Deze overdracht is niet aan te merken als een belastbare handeling en is daarmee geen economische activiteit. Daarom komt toepassing van onderdeel 2.2.2 van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 januari 2012 niet aan de orde. De overige stellingen en het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris behoeven geen behandeling meer.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1836
- HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1837
- HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1966
- HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1238
- HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1132
- Rb. Den Haag 16 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3564
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:671
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:334
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:392