Hof Den Haag 7 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1434

Art. 36e Sr. Het hof wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het hof van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat in dit geval sprake is geweest van zogenaamde relatieve illegaliteit. Uit de door het Openbaar Ministerie in het requisitoir in hoger beroep aangehaalde uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is het hof gebleken dat gedurende de in de strafzaak bewezenverklaarde periode en ook nog daarna geen concreet uitzicht heeft bestaan op legalisatie van de toen bestaande situatie. Naar het oordeel van het hof is op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting echter onvoldoende gebleken of, en zo ja, tot welk bedrag, de veroordeelde uit het in haar strafzaak bewezenverklaarde feit voordeel heeft verkregen. Het ontnemingsrapport noch de bijlagen daarbij biedt hiertoe voldoende aanknopingspunten. De in het rapport voorgestelde berekening, waarvan overigens niet duidelijk is door wie die berekening is opgesteld, is zeer summier onderbouwd met financiële stukken. Zo is niet uitgegaan van de definitieve jaarstukken en is geen onderzoek gedaan naar de jaarstukken van de vennootschappen die tot de fiscale eenheid behoren onder meer in verband met de wijze waarop de huur en verhuur van onroerend goed is verwerkt. Hierdoor acht het hof het niet verantwoord om op het rapport en/of de daarbij behorende bijlagen een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zo dat er al is geweest, te kunnen baseren. Mede gelet op het tijdsverloop ziet het hof geen aanleiding hier ambtshalve nader onderzoek naar te gelasten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen