Hof Den Haag 17 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1257

Belanghebbende is eigenaar van een pand. Het souterrain is aan het begin van het onderhavige jaar te huur aangeboden als kantoorruimte en vanaf 1 juni van dat jaar verhuurd als woning. Voordien is het souterrain steeds als kantoorruimte ter beschikking gesteld aan de BV van belanghebbende. De overige verdiepingen zijn bij belanghebbende in gebruik als woning. Belanghebbende merkt het hele pand aan als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001. Hij stelt dat ook het souterrain hem aan het begin van het onderhavige jaar ter beschikking stond en later dat jaar als onzelfstandige woonruimte is verhuurd. Het Hof is van oordeel dat zowel de bovenverdiepingen als het souterrain zelfstandige gebouwen zijn en dus niet als één eigen woning kunnen worden aangemerkt. Bouwtechnisch en wat betreft de gebruiksmogelijkheden zijn beide zelfstandig te gebruiken en beide zijn ook steeds bestemd om afzonderlijk te worden gebruikt. Aangezien slechts één gebouw als eigen woning kan worden aangemerkt, moet de waarde van het souterrain tot het box 3-inkomen worden gerekend. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde van het souterrain 40% van de WOZ-waarde bedraagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen