Hof Den Haag 17 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:998
Verwijzingszaak (HR 15/05349, BNB 2017/162). Grootschalige taxplanningstructuur van bankencon-cern. Na verwijzing is in geschil of de aftrek van het gedeelte van de rente dat niet door fraus legis wordt getroffen (de excesrente) wordt beperkt door het bepaalde in artikel 10a Wet Vpb. Niet lan-ger in geschil is tot welk bedrag de aftrek van de door belanghebbende verschuldigde rente wordt verhinderd door toepassing van het leerstuk van fraus legis. Toepassing van de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, letter a, Wet Vpb bij een externe le-ning aan de hand van de maatstaven die zijn neergelegd in HR BNB 2017/156. Het Hof oordeelt in de eerste plaats dat de Inspecteur de inhoud van een door belanghebbende vóór verwijzing in het geding ingebrachte verklaring na verwijzing mag weerspreken. Gelet op de uitgangspunten in cassatie staat vast dat extern is ingeleend, zodat het standpunt van de Inspec-teur dat de door de London Branch aan belanghebbende geleende gelden niet door de London Branch zijn aangetrokken in de vorm van vreemd vermogen, faalt. Belanghebbende maakt echter niet aannemelijk dat sprake is van voldoende parallellie tussen de schuld aan de London Branch en de uiteindelijke externe financiering daarvan. Het feit dat in de zaak betreffende een zustermaat-schappij van belanghebbende de aan de London Branch verschuldigde rente uiteindelijk tot en met de procedure voor de Hoge Raad aftrekbaar is geacht, staat aan dat oordeel niet in de weg. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel wordt niet gehonoreerd, aangezien zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat wordt voldaan aan de in het Besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2662M, genoemde criteria voor schuldparallellie.
De uitspraak op rechtspraak.nl