Hof Den Haag 6 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:712
Artt. 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289 en 289a van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeling ter zake van voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven en pogingen tot deelname aan een terroristische organisatie. De verdachte heeft tweemaal geprobeerd uit te reizen naar Syrië teneinde zich aan te sluiten bij IS of een daar aan gelieerde organisatie dan wel een organisatie die een gewelddadige jihad voorstaat in het zogenoemde kalifaat. Het hof is van oordeel dat de verdachte op geen enkele wijze heeft laten blijken dat hij op constructieve wijze wil deelnemen aan de Nederlandse samenleving. De verdachte legt alle inspanningen van de reclassering naast zich neer en wil niet meewerken aan bijzondere voorwaarden. Deze opstelling kan niet anders worden opgevat dan dat de verdachte de door de Nederlandse maatschappij uitgestoken hand consequent afwijst. Dit brengt mee dat er geen grond is voor een voorwaardelijk strafdeel ter bevordering van re-integratie in de maatschappij. Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat op de bewezen verklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan door oplegging van een (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met enerzijds de ernst van de feiten en anderzijds de noodzaak van beveiliging van de maatschappij. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.
De uitspraak op rechtspraak.nl