Hof Den Haag 9 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:6
Nieuwe op non-actief stelling en vervolgens ontslag door het COA van voormalig bestuursvoorzitter gerechtvaardigd en niet kennelijk onredelijk. Nadere bewijslevering in hoger beroep. Bewijswaardering. Geen dwangsommen verbeurd door het COA.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummers: 200.177.705/01 en 200.177.832/01
Zaaknummers rechtbank: C/09/430195/HA ZA 12-1283 en 1211258/ 12-27234
arrest van 9 januari 2018
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
nader te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. J.L.R. Kenens te Leiden,
tegen:
Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),
gevestigd te Rijswijk,
geïntimeerde,
hierna te noemen: het COA,
advocaat: mr. R. van Arkel te Den Haag.
Het verdere verloop van het geding
Voor het verloop van het geding tot 14 februari 2017 in de beide zaken verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. In dit tussenarrest heeft het hof – zowel in de dwangsommenprocedure als in de KOO-procedure – de vordering van [appellante] ex artikel 843a Rv deels toegewezen, en voorts [appellante] toegelaten tot het leveren van nader tegenbewijs. Het COA heeft vervolgens een akte na tussenarrest (met productie) genomen. Op 13 april 2017 heeft een getuigenverhoor aan de zijde van [appellante] plaatsgevonden, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt. Het COA heeft afgezien van contra-enquête. Vervolgens heeft [appellante] een memorie na enquête (met producties) genomen, waarna het COA een antwoordmemorie na enquête heeft genomen. Tenslotte hebben partijen in de beide zaken opnieuw arrest gevraagd.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
In zowel de dwangsommenprocedure als de KOO-procedure:
1 In zijn tussenarrest van 14 februari 2017 heeft het hof bepaald dat het COA binnen vier weken na de datum van dit arrest aan [appellante] en aan het hof een lijstje zal verstrekken van alle personen, met vermelding van naam, functie en lees- en/of wijzigingsbevoegdheid, die op zondag 18 december 2011 en zaterdag 21 januari 2012 gemachtigd althans in staat waren om de agenda van [appellante] in te zien. Het COA heeft hierop een akte na tussenarrest (met productie) genomen, waarop [appellante] in haar memorie na enquête heeft gereageerd.
2 Voorts heeft het hof [appellante] toegelaten tot het leveren van nader tegenbewijs ten aanzien van de volgende punten: - het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA, de Minister, de Raad van Toezicht en de pers omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden; - het verhullen door [appellante] dat zij de dienstauto, in strijd met wat zij daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte; - het betrekken door [appellante] van ondergeschikten bij dat verhullen. [appellante] heeft hierop de heer [woordvoerder COA] en zichzelf als getuige doen horen. Voorts heeft [appellante] bij memorie na enquête een kopie van de brief van 17 mei 2017 van de heer [naam medewerker] van Grant Thornton Forensic & Investigation B.V. overgelegd, alsmede zijn CV. Het COA heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.
3 Het hof zal al het in het dossier aanwezige bewijs opnieuw, zelfstandig, waarderen en overweegt in dat verband over de verschillende bewijsonderdelen het volgende.
Het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA
4 Het COA heeft op dit punt de Commissieleden [commissielid 1] (hierna: [commissielid 1] ), [commissielid 2] (hierna: [commissielid 2] ), en [commissielid 3] (hierna: [commissielid 3] ) doen horen. In hoger beroep heeft [appellante] zichzelf in contra-enquête als getuige doen horen.
5 De getuige [commissielid 1] heeft bij de kantonrechter op dit punt, voor zover relevant, verklaard:
“(…) Ik herinner mij uit de gesprekken dat [appellante] aangaf de auto niet privé te
gebruiken. Er heeft een inleidend gesprek plaatsgevonden en daarna hebben er
drie interviews plaatsgevonden. Deze interviews hebben plaatsgevonden in februari,
maart 2012. Dat zij dit tweemaal in een interview heeft verklaard heb ik gelezen in
twee verslagen. Zij gaf aan de auto privé te mogen gebruiken. Het privégebruik heb ik in mijn vragen niet opgesplitst in met en zonder chauffeur. Uit het feit dat de RvT een compensatie voor de fiscale bijtelling voor de dienstauto heeft gehonoreerd bleek van een recht op de dienstauto privé te gebruiken, aldus [appellante] . (…)
Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt:
U houdt mij voor dat [appellante] heeft verklaard dat mijn commissie in het rapport
haar woorden heeft verdraaid. Zij zegt dat haar verklaring zag op het privégebruik
van de dienstauto na september 2011. [appellante] heeft in haar verklaring tegenover
de commissie geen onderscheid gemaakt in periode. (…)
Blijkens de verslagen is de dienstauto tijdens zowel het eerste als het tweede
interview met [appellante] ter sprake gekomen.
Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt:
(…) U vraagt mij wat ik [appellante] over het privégebruik heb gevraagd. Ik vroeg haar:
‘Gebruikt u de dienstauto privé?’ Zij heeft die vraag met nee beantwoord. Ik meen
mij te herinneren dat ik deze vraag op een ander moment herhaald heb, omdat ik
het interessant vond dat zij zei dat ze de dienstauto wel privé mocht gebruiken,
maar dat niet deed. Ik wilde zeker weten dat ik haar antwoord goed begrepen had,
want het valt op als je wel een recht hebt maar dat niet gebruikt.”
Op 7 oktober 2013 heeft [commissielid 1] daaraan toegevoegd (voor zover van belang):
“(…) Tijdens het eerste en tweede interview met [appellante] heeft zij aangegeven de auto niet privé te gebruiken.(…)
Van twee gesprekken met [appellante] is een verslag gemaakt dat zij heeft ingezien en
uitgebreid van commentaar heeft voorzien. Met betrekking tot de passages uit het
verslag die zien op het gebruik van de dienstauto heeft zij geen aanmerkingen
gemaakt. (…).”
Op een later moment heeft [commissielid 1] voorts nog verklaard:
“ Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt:
(…) Wij hebben [appellante] een aantal keer uitdrukkelijk gevraagd of zij de auto privé gebruikte. Zij zei dat dat niet het geval was, op een enkele omstandigheid na, zoals dat zij een keer met de dienstauto bij de Albert Heijn is gestopt en dat ze op een zaterdagochtend naar het vliegveld is gereden nadat ze die ochtend eerder bij het COA was geweest. (…) U vraagt of ik het privégebruik nog bij andere mensen dan [toenmalig vz RvT COA] en [chauffeur] heb geverifieerd. Ja, leden van de Raad van Toezicht hebben verklaard dat zij meenden dat er geen sprake was van privégebruik. Dat hadden zij, zo vertelden zij ons, rechtstreeks van [appellante] gehoord. Wij hoorden dit ook van de kant van het departement en ik weet dit niet zeker, van minister Leers. (…) In ieder geval in twee verslagen is verwerkt dat [appellante] heeft verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Bij die passages heeft zij geen aantekeningen geplaatst.”
6 De getuige [commissielid 2] heeft – voor zover relevant – het volgende verklaard:
“(…) Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt:
(…) De Onderzoekscommissie maakte bandopnamen van de gehouden interviews. Dit
gold niet voor het oriënterende gesprek. De bandopnamen zijn na het opstellen van
de gespreksverslagen vernietigd. [appellante] heeft gevraagd of zij zelf ook
bandopnamen van de gesprekken mocht maken. Hierin heeft de Onderzoekscommissie bewilligd. Zij heeft zelf bandopnamen gemaakt met behulp van haar mobiele telefoon.(…)
Het gebruik van de dienstauto is tijdens de gesprekken met [appellante] , zeker bij de
eerste twee aan de orde gekomen. Ik heb de gespreksverslagen welke van
commentaar door [appellante] zijn voorzien, bekeken. Zij had geen aanmerkingen ten
aanzien van de passages uit de verslagen die zagen op het gebruik van de
dienstauto.
U houdt mij p. 127 van het Onderzoeksrapport voor waarin staat dat [appellante] de
dienstauto nooit privé gebruikte. Ik bevestig dat [appellante] dit heeft gezegd. Ik weet dat heel zeker, omdat ik degene was die de vraag heeft gesteld. Ik heb haar gevraagd of
ze de dienstauto gebruikte in de periode dat zij algemeen directeur was bij het
COA. Ik heb geen onderscheid gemaakt in de periode voor en na september 2011. U
stelt dat [appellante] heeft aangegeven dat de Onderzoekscommissie haar woorden heeft verdraaid. Dit is absoluut niet waar.”
[commissielid 2] heeft in de contra-enquête verder nog verklaard:
“ Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt: (…)
[chauffeur] had verklaard in zijn interview dat hij elke donderdagavond de auto bij [appellante] achterliet met een volle tank en dat hij op maandag steeds merkte dat er in het weekend met de auto was gereden. Dat vond ik opvallend, omdat [appellante] zelf had verklaard tegenover de Commissie dat ze de auto niet privé gebruikte.(…)”
7 De getuige [commissielid 3] , projectleider bij Bureau Berenschot, dat de Onderzoekscommissie COA ondersteunde bij haar werkzaamheden en als zodanig ook betrokken was bij de interviews, heeft - voor zover relevant - het navolgende verklaard:
“(…) U houdt mij een passage uit het Onderzoeksrapport voor op pagina 127 ten aanzien van het gebruik van de dienstauto. Ik bevestig dat [appellante] heeft verklaard dat zij de dienstauto nooit gebruikte. [opmerking kantonrechter: tijdens het getuigenverhoor heeft getuige [commissielid 3] verklaard dat [appellante] de auto nooit privé gebruikte. Abusievelijk is het woord ‘privé’ in het proces-verbaal weggevallen].
U vraagt mij wat de vraagstelling was met betrekking tot het gebruik van de dienstauto. Wat de vraagstelling precies is geweest kan ik mij niet herinneren. Ik verwijs u naar de bandopnamen die [appellante] zelf heeft gemaakt van de drie interviews die met haar en de Onderzoekscommissie zijn gehouden.(…).
Wij hebben de gespreksverslagen en het rapport naar eer en geweten opgesteld. Wij hebben niets verdraaid.”
8 In hoger beroep heeft het COA bij memorie van antwoord (productie 4) een geluidsopname overgelegd van één van de interviews van de Onderzoekscommissie COA met [appellante] . Op deze geluidsopname is (onder meer) vanaf 2 uur 10 minuten en 50 seconden) de volgende conversatie te horen: : “Ik heb in 2001 heb ik een leaseauto gekregen (…). Als algemeen directeur kwam de dienstauto met chauffeur wat al mijn voorgangers hadden.” Interviewer: “Maar u, toen u de leaseauto had, reed u deze ook privé?” [appellante] : “Nee, ik heb nooit privé gebruik gemaakt van mijn leaseauto. En ik heb ook alle rekeningen zelf betaald die u tegen bent gekomen, alle boetes, ik reed nogal hard.” Interviewer: “Ja dat is een hele …..” [appellante] : “Die heb ik allemaal zelf betaald, dus iedere suggestie dat het COA dat heeft gedaan dat is absoluut niet aan de orde.” (…) Interviewer: “Maar vanaf 1 oktober, als u dus algemeen directeur wordt, dan heeft u ook een dienstauto…” [appellante] : “Met chauffeur.” Interviewer: “Met chauffeur en deze werd ook, deze gebruikte u niet privé…” [appellante] : “Nee, nee, nee, ik heb nooit privé gebruik gemaakt.” Interviewer: “Maar u werd wel aanslagen voor een bijtelling” [appellante] : “Nee” Interviewer: “Er was een bijtelling die werd later gecompenseerd…” [appellante] : “Nee, want de eerste jaren totdat de compensatie begon heeft de chauffeur gewoon kilometers geschreven, en er is nooit een verzoek gedaan door de belastingdienst dus het was geen issue.” Interviewer: “Het was geen issue, dat werd het pas in 2006 geloof ik.” [appellante] : “In 2006 werden de regels strakker, ook binnen de overheid, u heeft de adviezen gezien van de fiscale adviseur, die zijn allemaal met de Raad van Toezicht besproken, en hebben een keuze gemaakt om ter voorkoming… en we hadden wat crashes in de agenda’s hè, als ze controleren kijken ze ook volledig naar je agenda, (…) we liepen een risico, dat staat er niet in, maar dat liep ook mee, ik weet niet of de Raad van Toezicht dat heeft gewogen, en op basis van fiscale adviseurs en contacten met de belastingdienst heeft toen de Raad van Toezicht gezegd we willen helemaal geen risico, hier heb je de bijtelling.” Interviewer: “ja” [appellante] : “en dat werd geboekt en afgeboekt en…” Interviewer: “Dus de belastingdienst zei: je moet of een ritadministratie doen, dat is de voorwaarde om hem niet privé bijgeteld te krijgen laat ik maar zeggen…”
[appellante] : “Ja.” Interviewer: “Maar waarom deed u dan geen ritadministratie dan?” [appellante] : “Dat deden we wel, maar desondanks zei de Raad van Toezicht we nemen het advies van de belastingadviseur over. (…) Dat is allemaal een afweging geweest van de Raad van Toezicht, in relatie tot de belastingadviseur, in relatie tot de mensen die op kantoor daarover gingen, en die hebben in hun wijsheid gezegd …” Interviewer: “Omdat er sowieso werd bijgeteld door de belasting, zei de Raad van Toezicht we willen geen gedoe hebben, jij rijdt hem niet privé…” [appellante] : “Nee nee, zij hebben nooit de eis gesteld dat ik wel of nee, dat was geen issue, dit was gewoon een maatregel, die binnen de rijksoverheid ook niet helemaal bijzonder was (…), dat je bijtelling krijgt, en dan hoef je geen administratie, en loop je ook geen risico, dat koop je dan af, je koopt het risico af.” Interviewer: “Dat snap ik, dat is naar de belasting heel helder, je koopt het af dus je accepteert een bijtelling. Dan krijgt u een brief van…, zit in het dossier van de Raad van Toezicht, dat het wordt gecompenseerd dat bedrag, dat er wordt bijgeteld. U zegt het doet er niet toe of u privé rijdt met de auto?” [appellante] : “Nee, maar dat is nooit een issue geweest. Ik reed er ook geen privé mee, maar zij hadden zoiets, we willen ook in het zakelijke deel geen risico lopen dat je een controle krijgt en dingen uit moet leggen.” Interviewer: “Maar als u wel privé zou rijden is het gewoon een loonsverhoging, dus ik denk dat het vrij relevant is als u niet privé reed.” [appellante] : “Maar ik reed ook niet privé.” Interviewer: “U heeft nooit privé gereden met de auto.” [appellante] : “Nee.” Interviewer: “De hele periode niet vanaf 2000?” [appellante] : “Nee, ik ben een keer naar Schiphol gebracht en af en toe stopte [chauffeur] onderweg om even bij de Albert Heijn langs te gaan, ja, als u dat als privé kwalificeert dan heb ik wel privé gereden maar altijd onder werktijd en onderweg et cetera.” Interviewer: “Maar dan er zijn wel boetes hè, die in het weekend vallen.” [appellante] : “Ja die heb ik betaald.” Interviewer: “ja…” [appellante] : "Ja omdat we wat harder reden…” Interviewer: “Jawel maar dan werd u wel gereden door de chauffeur in het weekend.” [appellante] : “Ja omdat we gewoon werkten, dat kunt u ook in mijn agenda zien. Ik was vaak op pad. Ik ging ook wel eens zondag’s kijken naar locaties, wat er gebeurt.”
9 [appellante] heeft in hoger beroep in contra-enquête als getuige op dit punt het volgende verklaard: U vraagt mij naar het gesprek dat ik heb gehad met de onderzoekscommissie COA, en houdt mij de verklaringen voor van de commissieleden, inhoudende dat ik gezegd heb dat ik de auto nooit privé heb gebruikt. Ik verklaar hierover het volgende. Bij de onderzoekscommissie is er slechts heel kort gesproken over de dienstauto. Ik heb tegenover de commissie verklaard dat ik de auto met chauffeur nooit privé heb gebruikt. Waarom heb ik dit zo verteld? Hier waren twee redenen voor. De commissie had vanaf het begin de beschikking over mijn personeelsdossier. Ik ben er dan ook van uit gegaan dat de commissie wist dat ik recht had op het privé gebruik van de dienstauto, en dat als zij hierover een vraag stelden, zij doelden op het privé gebruik inclusief chauffeur. Ten tweede ging ik er van uit dat zij er niet van op de hoogte waren dat ik met [toenmalig vz RvT COA] begin september 2011 de afspraak had gemaakt dat ik vanaf dat moment niet meer privé zou rijden. Ik ging er in dit gesprek met de commissie dus van uit dat het in dit gesprek niet ging over het toegestane privé gebruik, wat ze wisten en waar ik recht op had. Waarom zou ik hier over liegen? Ik had er gewoon recht op.
Naar aanleiding van de ter zitting afgespeelde geluidsopname (van 2.10uur-2.17uur) heeft [appellante] verklaard:
Naar aanleiding van deze bandopname verklaar ik nog het volgende. U houdt mij voor dat het gesprek gaat over de fiscale bijtelling, en dat hiervoor niet relevant is, of er sprake is van gebruik met of zonder chauffeur. Dit is juist, maar het gebruik met of zonder chauffeur is wel relevant voor het gebruik zelf. Mijn opmerking op een vraag van [commissielid 2] : ‘Maar ik reed ook niet privé’ zag op de periode voor 2007. Pas in 2007 is mijn werkgever de fiscale bijtelling gaan betalen en ben ik privé gebruik gaan maken van de dienstauto, daarvoor niet. Ik had dit er beter bij kunnen zeggen, dan was mij een hoop narigheid bespaard gebleven. Tijdens dat gesprek zat er heel erg in mijn hoofd dat het ging om het gebruik van de auto met chauffeur, en verder ging ik ervanuit dat zij niet op de hoogte waren van mijn afspraak met [toenmalig vz RvT COA] want dat bleek niet uit mijn personeelsdossier. Zij hadden immers dit dossier en dan moet je wel heel gek zijn om wat anders te vertellen.
10 Het hof is van oordeel dat het COA geslaagd is in het bewijs dat [appellante] onjuiste informatie heeft verstrekt aan de Onderzoekscommissie COA omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden. De verklaringen van de getuigen [commissielid 1] , [commissielid 2] en [commissielid 3] , gevoegd bij de door het COA in hoger beroep overgelegde geluidsopname, zijn op dit punt duidelijk, consistent en overtuigend. De verklaring van [appellante] als getuige in hoger beroep, inhoudende – kort samengevat – dat haar verklaring tegenover de Onderzoekscommissie dat zij de dienstauto nooit privé heeft gebruikt uitsluitend zag op het gebruik van de auto met chauffeur, en dat haar opmerking op een vraag van [commissielid 2] : ‘Maar ik reed ook niet privé’ zag op de periode vóór 2007, acht het hof niet overtuigend. Op de geluidsopname is te horen dat de interviewer ( [commissielid 2] ) expliciet aan [appellante] voorhoudt, dat als zij met de dienstauto privé zou rijden dat gewoon een loonsverhoging zou betekenen, en dat het daarom relevant was of [appellante] al dan niet privé met de dienstauto reed. Het antwoord daarop van [appellante] : “Maar ik reed ook niet privé”, en haar ontkennende antwoord bij de nadere vragen: “U heeft nooit privé gereden met de auto” en “De hele periode niet vanaf 2000?” bieden geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat [appellante] hiermee slechts doelde op de periode vóór 2007 en/of het gebruik van de auto met chauffeur. Uit de getuigenverklaringen van [commissielid 1] , [commissielid 2] en [commissielid 3] kan niet anders worden afgeleid dan dat zij de verklaring van [appellante] tegenover hen ook niet in die zin hebben begrepen. Indien [appellante] de Onderzoekscommissie eerlijk en volledig had geïnformeerd over haar privé gebruik van de dienstauto, had het gelet op de aan haar op dit punt gestelde vragen en nadere vragen, voor de hand gelegen dat zij daarbij had vermeld dat zij de dienstauto (zonder chauffeur) in elk geval van 2007 tot september 2011, wel degelijk privé gebruikte. Uit de door de Onderzoekscommissie aan haar gestelde vragen en nadere vragen, blijkt op geen enkele wijze dat de Onderzoekscommissie op de hoogte was van haar privégebruik van de auto en bij zijn vragen uitsluitend doelde op het privégebruik met chauffeur, en/of de periode vóór 2007. Dat [appellante] deze vragen volgens haar verklaring wel zo heeft begrepen, acht het hof onaannemelijk. Het enkele feit dat de Onderzoekscommissie beschikte over haar personeelsdossier, brengt nog niet mee dat [appellante] er zonder meer vanuit mocht gaan dat de Onderzoekscommissie hiervan volledig kennis had genomen. [appellante] had in elk geval uit de aan haar gestelde vragen en nadere vragen, kunnen en moeten begrijpen dat de Onderzoekscommissie niet op de hoogte was van haar privé gebruik van de dienstauto. Haar verklaring dat zij dit anders heeft begrepen acht het hof niet overtuigend, en daarmee in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs onvoldoende.
Het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Minister
11 Het COA heeft in dit kader de getuigen [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] (hierna: [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] ), [sg BZK] (hierna: [sg BZK] ) en [directeur personeel (...) BZK] (hierna: [directeur personeel (...) BZK] ) doen horen. Zij waren respectievelijk waarnemend directeur-generaal vreemdelingenzaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, en directeur personeel, regie, ICT en organisatie van laatstgenoemd ministerie. In hoger beroep heeft [appellante] zichzelf in contra-enquête als getuige doen horen.
12 [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] heeft - voor zover relevant - verklaard:
“(…) Ik bevestig ook vandaag dat [appellante] op 10 mei 2011 aan mij heeft meegedeeld dat zij de dienstauto in het geheel niet privé gebruikte. (…)
Ook vandaag bevestig ik dat [appellante] op 26 september 2011 tegen mij heeft gezegd dat zij de auto nimmer privé gebruikte en dit ook nooit het geval is geweest. (…)
Ja, wat mij heeft verbaasd is dat [appellante] in het gesprek van mei 2011 onbevangen heeft gemeld dat zij geen privégebruik maakte van de auto. Ze zei toen: “Ik weet ook niet waarom het zo geregeld is, want ik gebruik de auto niet.” Zij zei dit zo vanzelfsprekend dat het mij heeft verbaasd dat ze daar later op terug is gekomen. Met later bedoel ik na 26 september 2011. (…)”
Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik de inhoud van het gesprek met [appellante] van 10 mei 2011 heb teruggekoppeld aan anderen binnen het departement. Ja, ik heb dit teruggekoppeld aan secretaris-generaal mw. [sg BZK] en minister Leers. Ik heb hen beiden mondeling gezegd dat het geen probleem was om het salaris van [appellante] onder de Balkenende-norm te brengen, (…) omdat de bijtelling kon vervallen, nu er geen privégebruik van de auto was.(…) Ik heb deze mondelinge terugkoppeling enkele dagen na het gesprek van mei 2011 aan de minister en de SG gedaan.(…)
Ik had geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de op 10 mei 2011 aan mij door [appellante] gegeven informatie onjuist was, noch op dat moment, noch daarna. (…)”
13 [sg BZK] heeft - voor zover relevant - verklaard:
“(…) Ik herinner mij dat ik op 10 mei 2011 een e-mailbericht kreeg van mevrouw [directeur personeel (...) BZK] . Zij had die dag samen met mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [appellante] gesproken over het salarisniveau van [appellante] ten behoeve van de voordracht door de Raad van Toezicht van [appellante] als bestuurslid. In het e-mailbericht van [directeur personeel (...) BZK] stond dat in het gesprek het privégebruik van [appellante] van de dienstauto aan de orde was geweest en dat [appellante] had gezegd dat ze de auto niet privé gebruikte. [directeur personeel (...) BZK] schreef dat daardoor een aantal zaken makkelijk oplosbaar waren, omdat de bijtelling en de compensatie dus niet nodig waren. Mijn antwoord aan haar was in de trant van: “mooi dat dit boven water is gekomen, maar wat onhandig voor de beeldvorming”. Daar bedoel ik mee dat het niet nodig is om de bijtelling en compensatie te hebben als de auto toch niet privé wordt gebruikt. (…) Op 26 september 2011 heeft er in de ochtend een overleg plaatsgevonden en ik werd gevraagd om daar aan te schuiven, zodat we met z’n allen de antwoorden op Kamervragen konden doorspreken. Bij dat overleg waren de Minister van Integratie en Immigratie, de DG Vreemdelingenzaken, de politiek assistent van de Minister, de woordvoerder van de Minister en enkele collega’s van de directie migratiebeleid. (…) In het gesprek bleek er toch onduidelijkheid over het salaris van [appellante] . Eén van de onderdelen waarover onduidelijkheid was, was de bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto. Omdat het essentieel is dat de Minister de kamer correct informeert, moesten we zeker weten dat de antwoorden juist waren. De onduidelijkheid had ermee te maken dat in een conceptvoordracht van de Raad van Toezicht het woordje ‘vigerend’ stond. De Minister wilde dat het duidelijk werd en daarop heeft [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] met [appellante] gebeld en haar uitgenodigd voor haar afspraak die middag. Op 26 september 2011 heb ik vervolgens met [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [appellante] gesproken. Er waren verder geen andere mensen bij. Ik heb de salarisstrook van [appellante] gezien. Daarop stonden de bijtelling en de compensatie voor het privégebruik van de dienstauto. Ik heb [appellante] gevraagd of ze de auto privé gebruikte. Zij zei dat dat niet zo was. Mijn conclusie was: dan zijn de bijtelling en compensatie niet nodig.(…) Later in het gesprek kwam het gebruik van de auto nog een keer naar voren. Toen heeft [appellante] nogmaals gezegd dat ze de auto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt had.(…)
Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt:
(…) Ik heb dezelfde middag een terugkoppeling aan de Minister gegeven, een half uur of een uur na afronding van het gesprek met [appellante] en [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] .
Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt:
(…) Ik herhaal ik heb [appellante] gevraagd of ze de auto privé gebruikte, en ze antwoordde: ik gebruik de auto niet privé en heb hem nooit privé gebruikt. Ik weet dit heel precies. Het was heel belangrijke informatie voor de bijtelling en het informeren daarover van de Kamer. Ik geloofde [appellante] . Op uw vraag of ik wist of [appellante] de auto privé mocht gebruiken, zeg ik u: ik weet het niet, het was irrelevant, want daar ging het niet over. (…)”
14 [directeur personeel (...) BZK] heeft - voor zover relevant - verklaard:
“(…) U (mr. Bockwinkel) vraagt mij naar het verslag van 10 mei 2011. Dat heb ik samen met [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] opgesteld. (…) Ik bevestig vandaag dat de inhoud van het verslag juist is en dus ook dat [appellante] mij en [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] op die dag heeft meegedeeld dat zij de dienstauto in het geheel niet voor privédoeleinden gebruikte. (…) [appellante] zei dat ze de auto alleen zakelijk gebruikte en we kwamen tot de conclusie dat de bijtelling kon vervallen en de compensatie dus ook. (…) In het document dat ik na 10 mei 2011 kreeg toegestuurd, stond vermeld dat de auto door [appellante] werd ingezet slechts voor zakelijk gebruik. Dit was voor mij een bevestiging van de informatie die ik van [appellante] zelf al had gekregen.(…)
Op vragen van mr. Mauser antwoord ik als volgt:
…) Ik heb op 10 mei 2011 ’s avonds per email een terugkoppeling van het gesprek eerder die dag met [appellante] gegeven aan S-G [sg BZK] , daarin heb ik concreet vermeld dat [appellante] tegen ons had gezegd dat ze geen privégebruik maakte van de dienstauto. (…) Ik had in de periode tussen 10 mei 2011 en de uitzending van de NOS geen enkele aanwijzing dat de informatie van [appellante] over het niet-privégebruik van de auto niet juist was. (…)”
15 In voormelde e-mail van [directeur personeel (...) BZK] aan [sg BZK] van 10 mei 2011 is vermeld: “Vanmiddag heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] , [appellante] en mij inzake het inkomen van de directeur COA. Op basis van de gegevens die we vanmiddag beschikbaar hadden, heb ik het beeld dat we de zaak op een vrij eenvoudige wijze – en zonder dat [appellante] daar materieel onder lijdt – op kunnen lossen. De oplossing is met name gelegen in de manier waarop er met de dienstauto omgegaan wordt. [appellante] gebruikt de auto niet privé maar heeft hier nooit een verklaring aan de belastingdienst voor afgegeven. De belasting slaat haar dus aan voor privégebruik en telt een deel van de waarde van de auto op bij haar belastbaar inkomen. [appellante] wordt om deze reden gecompenseerd voor deze extra belasting door haar werkgever, wat haar formele inkomen verder verhoogt. [appellante] was niet op de hoogte van de alternatieven, maar dit lijkt mij geen handige en zakelijk aanpak. Idee is dat zij nu snel een verklaring voor de belastingdienst ondertekent en dat daarmee de compensatie kan komen vervallen.”
16 [HRM adviseur] (hierna: [HRM adviseur] ), HRM adviseur, heeft – voor zover op dit punt relevant – verklaard: “Ik ben inderdaad betrokken geweest bij de voordracht tot benoeming en de voorstellen daartoe van [appellante] als bestuursvoorzitter. Ik leverde op onderdelen informatie aan. Informatie over het salaris, de afspraken met betrekking tot het gebruik van de dienstauto en dergelijke. Iedere keer kwam de brief weer terug met het voorstel voor de benoeming, omdat de ene keer de WOPT-norm en de andere keer de WNT-norm moest worden gehanteerd en de andere keer weer een andere norm. In sommige voorstellingsbrieven wordt vermeld dat de auto niet privé gebruikt werd. U vraagt mij of ik weet waarom dit is. De voorstellingsbrieven zijn voor de toekomst. De auto zou niet meer privé worden gebruikt. (….) Ik weet nog dat op 8 september 2011 er vragen van de NOS kwamen met betrekking tot een nieuwsuitzending over het COA. (…) In dat kader heeft [appellante] , zo heeft ze mij verteld, met [toenmalig vz RvT COA] afgesproken en zij heeft aangegeven dat ze de auto niet meer privé zou rijden vanaf 1 september 2011, want dan zou het salaris dichter bij de Balkenende norm komen te liggen. Het gesprek met [toenmalig vz RvT COA] waarover [appellante] vertelde heeft op 9 september 2011 plaatsgevonden. Dat weet ik, omdat ik toen van [appellante] opdracht kreeg om dat in de voordrachtsbrief op te nemen. [strategisch adviseur COA] heeft de voordrachtsbrief toen met input van mij aangepast. In de versie of versies voor 9 september 2011 stond dat vigerende arbeidsvoorwaarden zouden worden gehandhaafd. Er waren ook versies voor 9 september 2011 waarin stond dat de auto alleen voor zakelijk gebruik werd gebruikt, maar die versies heb ik niet gezien. Ik het later begrepen dat die wel circuleerden. Van mij uit heb ik doorgegeven dat de auto privé werd gebruikt ten behoeve van de benoemingsvoorstellen waar ik bij betrokken was.”
17 [appellante] heeft in hoger beroep in de contra-enquête als getuige op dit punt – voor zover relevant – de volgende verklaring afgelegd: “Ik kan mij het gesprek van 10 mei 2011 goed herinneren. Het was een informeel gesprek met mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en mevrouw [directeur personeel (...) BZK] . (…) Ik had een stukje laten maken door Eversheds Advocaten over mijn salaris en de toekomstige inpasbaarheid daarvan binnen de mogelijke WNT-norm. Mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] bekeek dit stukje en zei tegen mij: ‘Jij verdient toch veel meer?’. Ik zei: ‘Dat klopt, dit is een discussiestuk en sommige dingen zijn er uit gelaten, bijvoorbeeld de compensatieregeling voor het privé gebruik van de dienstauto’. [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] vroeg toen aan mij hoe dit zat. Ik heb toen gezegd dat ik eventueel bereid was om afstand te doen van deze compensatieregeling en de auto niet meer privé te gebruiken. Dat vond ze ‘tof’. Verder hebben we nog gesproken over mijn representatievergoeding. Volgens mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] zou daar wat in geschoven kunnen worden en zou dan alles in orde zijn. (…) Het verslag van het gesprek van 10 mei 2011 heb ik pas gezien bij de processtukken bij de rechtbank, wat er in staat bestrijd ik te vuur en te zwaard. (…)
Het gesprek van 26 september 2011 vond plaats met [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] . Dit was de week na de uitzending van de NOS. Ik werd ’s ochtends gebeld door [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] , dat ik ’s middags op bezoek moest komen bij [sg BZK] . De letterlijke tekst was dat ik werd ontboden. (…)Het was een onaangename uitnodiging. (…) Ik ben er heen gegaan en heb alles meengenomen. Het was een bizar gesprek. Mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] begon direct te huilen, waar mevrouw [sg BZK] geen acht op sloeg. Ik heb alle stukken overhandigd. [sg BZK] heeft alles berekend en heeft letterlijk tegen mij gezegd: ‘Hoe haal jij het in je hoofd om meer dan ik te verdienen’. Ik heb toen gezegd als je het anders wilt, bespreek het dan alsjeblieft met mijn werkgever. Ik begreep het niet. Mijn voordracht lag reeds bij het ministerie met een aangepast salaris. We hebben ook over de leaseauto’s gesproken, met name veel over de accessoires zoals de leren bekleding. De conclusie van [sg BZK] was: ‘Je hebt een veel te dure auto, deze gaat eruit, je kunt niet in een duurdere auto rijden dan de S-G’. Bovendien voegde ze hier aan toe dat ze had besloten dat ik vanaf dat moment tot het eind van het jaar geen salaris en ook geen eindejaarsuitkering meer zou krijgen, want dan zat ik op de norm. Over het feitelijk gebruik van de dienstauto is helemaal niet gesproken. Mevrouw [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] heeft het hele gesprek zitten huilen. Ik vroeg steeds: ‘ […] , wat is er’ maar ik kreeg geen antwoord. (…) Ik heb in dit gesprek nauwelijks iets gezegd, het was een horror-gesprek. Ook met het verslag van dit gesprek, dat ik niet eerder heb gezien dan in de procedure, ben ik het absoluut niet eens. Het klopt echt niet. (…)
Op een vraag mr. Koopman antwoord ik dat ik de minister persoonlijk niet heb gesproken over het privé gebruik van mijn dienstauto.”
18 Het hof is van oordeel dat het COA ook op dit punt geslaagd is in het te leveren bewijs. De getuigenverklaringen van [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [directeur personeel (...) BZK] , inhoudende dat [appellante] in dit gesprek van 10 mei 2011 tegen hen heeft gezegd dat zij de dienstauto niet privé gebruikte, en ook nooit privé gebruikt heeft, zijn consistent en sluiten op elkaar aan. Deze verklaringen worden bovendien ondersteund door de e-mail die [directeur personeel (...) BZK] nog diezelfde 10 mei 2011 heeft gestuurd aan [sg BZK] , waarin zij de inhoud van het gesprek heeft weergegeven en waarin zij expliciet vermeldt dat [appellante] de dienstauto niet privé gebruikte, maar hier nooit een verklaring voor had afgegeven aan de belastingdienst, zodat de zaak op eenvoudige wijze kon worden opgelost zonder dat [appellante] daar materieel onder zou lijden. De andersluidende getuigenverklaring in contra-enquête van [appellante] zelf, inhoudende dat zij in het gesprek van 10 mei 2011 tegen [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [directeur personeel (...) BZK] heeft gezegd dat zij eventueel bereid was om afstand te doen van de compensatieregeling, en om de dienstauto niet meer privé te gebruiken, vindt geen steun in ander bewijs en is onvoldoende overtuigend om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [directeur personeel (...) BZK] . Dat zowel [directeur personeel (...) BZK] als [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] de uitlatingen van [appellante] in het gesprek van 10 mei 2011 verkeerd hebben gehoord of begrepen, acht het hof niet aannemelijk. Evenmin valt in te zien dat en waarom [directeur personeel (...) BZK] in haar e-mail die zij nog diezelfde dag aan [sg BZK] heeft gestuurd de inhoud van het gesprek niet juist zou hebben weergegeven. De tekst van de e-mail is voorts niet goed verenigbaar met de inhoud van het gesprek zoals dit volgens de verklaring van [appellante] zou hebben plaatsgevonden. Het hof acht de verklaringen van [directeur personeel (...) BZK] en [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] , in combinatie met de e-mail van 10 mei 2011, dermate sterk en overtuigend dat de andersluidende verklaring van [appellante] hier niet aan af doet. Daarmee acht het hof bewezen dat [appellante] in het gesprek van 10 mei 2011 aan [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [directeur personeel (...) BZK] heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit privé heeft gebruikt. Ook over de inhoud van het gesprek van 26 september 2011 staat de verklaring van [appellante] haaks op de verklaringen van de getuigen [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] . [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] hebben beiden verklaard dat [appellante] in het gesprek van 26 september 2011 expliciet heeft verklaard dat ze de auto niet privé gebruikte en hem nooit privé had gebruikt. Ook op dit punt acht het hof de andersluidende verklaring van [appellante] , inhoudende dat er in dit gesprek helemaal niet zou zijn gesproken over het feitelijk gebruik van de dienstauto, onvoldoende overtuigend om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] . De aanleiding voor dit gesprek was immers, zoals [sg BZK] heeft verklaard, dat in een overleg met (onder andere) de Minister eerder die dag was gebleken dat er nog onduidelijkheid was over het salaris van [appellante] , onder meer over de bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto. Omdat het essentieel was dat de Minister de kamer correct zou informeren, is [appellante] vervolgens nog diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. Gelet op het doel van dit gesprek, het verkrijgen van volstrekte duidelijkheid over de bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto, is de verklaring van [appellante] dat in dit gesprek over het feitelijk gebruik van de dienstauto in het geheel niet is gesproken niet overtuigend. De verklaring van de getuige [HRM adviseur] , die bij de gesprekken van 10 mei 2011 en 26 september 2011 niet aanwezig is geweest, doet aan het bovenstaande niet af. Uit de verklaringen van [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] en [sg BZK] blijkt voorts dat zij de informatie die zij van [appellante] hadden gekregen, inhoudende dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit gebruikt had, hebben doorgeleid aan de Minister. Het hof acht derhalve bewezen dat [appellante] in de periode van mei tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van de Raad van Toezicht aan de Minister tot benoeming van [appellante] tot voorzitter van de Raad van Bestuur van het COA, aan [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] , [sg BZK] en [directeur personeel (...) BZK] heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt had en dat deze informatie aan de Minister is doorgeleid.
Het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de Raad van Toezicht
19 Het COA heeft voor het leveren van het bewijs van zijn stelling dat [appellante] onjuiste informatie aan de Raad van Toezicht heeft verstrekt omtrent het privégebruik van de dienstauto, de getuigen [toenmalig vz RvT COA] (hierna: [toenmalig vz RvT COA] ), [toenmalig lid 1 RvT COA] (hierna: [toenmalig lid 1 RvT COA] ), [toenmalig lid 2 RvT COA] en [strategisch adviseur COA] (hierna: [strategisch adviseur COA] ) doen horen.
20 [toenmalig vz RvT COA] , die van 2006 tot november 2011 voorzitter was van de Raad van Toezicht van het COA, heeft – voor zover van belang – het navolgende verklaard:
“(…) Bij mijn aantreden als voorzitter heb ik niet gesproken met [appellante] over de dienstauto, zij was toen namelijk al in dienst. Vrij snel na mijn aantreden heb ik wel met haar gesproken over de fiscale bijtelling in verband met het privé gebruik van de dienstauto. Zij mocht die auto gebruiken volgens haar contract. (…) Ik herinner mij overigens dat [appellante] en ik in 2010 ook hebben gesproken over het salaris. Dit was in een gesprek met minister Hirsch Ballin en de toenmalig directeur generaal [waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J] (…). In dit gesprek heeft [appellante] gezegd dat zij de dienstauto niet privé gebruikte.
(…) In mijn stukken heb ik een brief gevonden van [appellante] aan mij gedateerd naar ik geloof 14 april 2011. Het betrof de discussie rond de WNT. Daarin staat dat met betrekking tot de dienstauto dat [appellante] daarvan geen gebruik maakte. Deze brief was bedoeld om de discussie met het departement te beslechten met betrekking tot het salaris. In die brief staat dat de auto niet privé wordt gebruikt en als ik me niet vergis dat derhalve de fiscale compensatie kan komen te vervallen. Ik toon u de brief (…). Het betreft een e-mailbericht van [appellante] aan mij gedateerd 20 april 2011 met als bijlage een brief aan de heer Leers van mij d.d. 10 maart 2011 (…). Ik vergiste mij net dus in de datum.
(…) Voor de zomer van 2011 hadden [appellante] en ik gesproken over de fiscale
bijtelling. Naar aanleiding van de vragen van de NOS heb ik haar opnieuw
aangeraden om te gaan praten met de fiscus met betrekking tot de fiscale bijtelling.
Die moest ervan af. Of de compensatie nu wel of niet meetelt voor de WNT, het geeft
een verkeerd beeld als de auto toch niet privé wordt gebruikt. (…) Naar mijn mening is door de Raad van Toezicht de lijn consequent doorgevoerd dat wanneer [appellante] de auto niet privé gebruikte, de fiscale bijtelling eraf moest.
Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik ten tijde van de brief van 10 maart 2011 uitging van een situatie waarbij [appellante] de dienstauto uitsluitend zakelijk gebruikte. Ik bevestig u dat dit het geval was uitgaande van haar eigen mededelingen dat zij de auto niet privé gebruikte. U houdt mij een brief voor gedateerd 14 september 2011. (…)Het betreft een voorstel voor de benoeming en bezoldiging van de bestuursvoorzitter. Ik heb deze namens de Raad van Toezicht aan de minister gestuurd. U zegt mij dat in de brief wordt aangegeven dat de vigerende arbeidsvoorwaarden zullen worden gehandhaafd waaronder het zakelijk gebruik van de dienstauto zonder bijtelling. U vraagt mij wat de stand van zaken was op het moment van deze brief, gebruikte zij op dat moment de auto ook privé of alleen zakelijk? Nee, er werd ons gezegd van niet. [appellante] had dat via het toezenden van het bezoldigingsbesluit aan ons kenbaar gemaakt. Voor de zomer heeft [appellante] mij zelf kenbaar gemaakt dat zij de auto niet privé gebruikte. Ik heb haar toen gezegd dat ze de fiscale bijtelling eraf moest zien te krijgen. Deze discussie is na de zomer vervolgd. Uiteindelijk heeft [appellante] mij eind september aangegeven dat de fiscus dit pas per 1 januari zou doen. (…) De rode lijn vanaf 2010 is geweest: als je de auto toch niet privé gebruikt, haal de fiscale bijtelling er dan vanaf. Wij zaten in september 2011 nog steeds op die lijn.
Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik de brief ken van 9 december 2010. Als mijn naam eronder staat, betekent het dat ik deze ook ken. Ik geef u aan dat het een voorstel omtrent de bezoldiging van [appellante] betrof. (…) Aan de orde is geweest het zakelijk gebruik van de dienstauto en de afschaffing van de fiscale bijtelling. Dit was reeds in 2010 met Hirsch Ballin besproken met betrekking tot de discussie rond het passen van het salaris binnen de normering van de WNT. (…) Zij heeft mij zelf aangegeven geen privé gebruik te maken van de dienstauto. Wanneer en waar dat precies is geweest, dat weet ik niet meer. Het is in ieder geval aan de orde geweest in het gesprek in 2010 en in juni/juli 2011.(…) Op vragen van mr. Van Strien antwoord ik als volgt: Als ik het heb over privé gebruik van de auto, dan heb ik het over niet noodzakelijk privé gebruik van de auto.”
21 [toenmalig lid 1 RvT COA] , destijds lid van de Raad van Toezicht bij het COA, heeft - voor zover hier relevant - als volgt verklaard:
“(…) U vraagt mij wat ik versta onder privé gebruik van een dienstauto. (…) Gebruik (…) voor privé doeleinden, alles wat niet direct met het werk te maken heeft. (…) Ik wist dat privé gebruik van de dienstauto aan [appellante] was toegestaan. (…) U vraagt mij wanneer ik voor het eerst bekend werd met het feit dat [appellante] de dienstauto privé gebruikte. Eind 2010, de nieuwe Wet Normering Topinkomens was op komst, hebben wij binnen de Raad van Toezicht serieus gesproken over het inkomen van [appellante] , daarvóór hadden wij daartoe geen aanleiding. (…) In september 2010 heeft de minister duidelijk gemaakt dat aanpassing van het salaris nodig was in verband met de herbenoeming van [appellante] per 1 november 2011. In maart 2011 is er een gesprek geweest van de Raad van Toezicht met [appellante] voorafgaand aan de bijeenkomst van de minister. (…) Tijdens dit gesprek, als ik mij goed herinner, heeft [appellante] verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. De voorzitter van de Raad van Toezicht zei toen: “Dan moet die bijtelling eraf.” Uit de opmerkingen van de voorzitter, [toenmalig vz RvT COA] , maakte ik toen op dat hij het er al eerder met [appellante] over had gehad en dat zijn advies om met
de fiscus te overleggen een herhaling was van een eerder advies. [appellante] heeft
toen ook gezegd, maar het kan zijn dat ik mij vergis en dat het in het gesprek van
juni 2011 was (…), dat zij de auto één keer voor privé doeleinden had gebruikt in
het verleden, namelijk omdat zij op weg naar het vliegveld nog langs het ministerie
moest. Zij stond toen op punt van vertrek voor vakantie met haar gezin.(…)
Bij mijn beste weten heeft [appellante] haar mededeling over het niet privé gebruiken
van de dienstauto in maart 2011 gedaan, maar als dat niet zo is, dan moet dat in
juni 2011 zijn geweest dat we heel specifiek over deze dingen gesproken hebben.
(…).
Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt:
Ik herhaal dat hetzij in maart 2011 hetzij in juni 2011 [appellante] op een
rechtstreekse vraag van de voorzitter heeft geantwoord dat zij geen privé gebruik
maakte van de dienstauto.(…)”
22 [toenmalig lid 2 RvT COA] , destijds eveneens lid van de Raad van Toezicht van het COA, heeft
over het privégebruik van de dienstauto door [appellante] voor zover
van belang, het volgende verklaard:
“(…) Ik denk dat het in een één-op-één gesprek is geweest dat ik haar heb
gevraagd: hoe zit het met het privégebruik van de dienstauto? Dat gesprek ging over het complete plaatje waaruit het salaris bestond. [appellante] antwoordde: ik gebruik hem niet privé. (…) Dit gesprek moet begin 2011 zijn geweest. (…)
Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt:
U houdt mij de e-mail van 23 februari 2011 (productie 13 kantonzaak) voor. U vraagt mij wat de zin:”(…) je rijdt de auto alleen zakelijk (…)” weergeeft. Dat is niet anders dan wat ik net aangaf te weten: het gebruik is zodanig beperkt of niet dat de compensatie als salarisbestanddeel eruit kan. (…)Er is alleen gesproken over het privégebruik van de dienstauto in het kader van de salarisherziening. Dat gebruik was zodanig beperkt of niet dat dat element uit het salaris gehaald kon worden, zei [appellante] tegen mij. (…) Op vragen van mr. Verbeek antwoord ik als volgt: (…) Ik heb in het kader van het verhoor bij de onderzoekscommissie met woorden van
gelijke strekking als ik vandaag gebruik over de dienstauto gesproken. Ik heb daar
ook gezegd dat ik van [appellante] heb begrepen dat zij de auto niet privé gebruikte.
(…) Ik weet niet of het [appellante] was toegestaan de dienstauto privé te gebruiken. Ik heb nooit in haar personeelsdossier gekeken of zij de dienstauto wel of niet mocht gebruiken.”
23 De in de verklaring van [toenmalig lid 2 RvT COA] genoemde e-mail van [toenmalig lid 2 RvT COA] aan [appellante] van 23 februari 2011 luidt – voor zover relevant – als volgt: “ [appellante] , Mijn advies is: (…) Maak duidelijk dat de compensatie fiscale bijtelling auto moeilijk als loon gezien kan worden (je strijkt er immers niets van op; je brengt evenmin reiskosten in rekening; je rijdt de auto alleen zakelijk).”
24 [strategisch adviseur COA] , strategisch adviseur van het COA, heeft – voor zover relevant – als volgt
verklaard:
“(…) Onder privé gebruik van de dienstauto versta ik alle ritten die niet voor het COA gereden worden. Vóór september 2011 wist ik niet of [appellante] privé gebruik maakte van de dienstauto, al dan niet met chauffeursdienst. Ik heb pas voor het eerst begrepen dat hiervan welk sprake was in de periode dat het rapport van de commissie [commissielid 1] uitkwam. Het klopt dat ik diverse stukken heb opgesteld ten behoeve van [appellante]
en/of de Raad van Toezicht. U noemt de notitie bezoldiging bestuursvoorzitter van
mei 2011, de brief van 14 september 2011 van de Raad van Toezicht aan de
minister met de voordracht van [appellante] en de brief van 26 september 2011 van de
Raad van Toezicht aan de minister naar aanleiding van Kamervragen over de NOS
uitzending. Al deze stukken heb ik geconcipieerd. Inderdaad staat hierin dat de
dienstauto slechts zakelijk werd gebruikt door [appellante] . Die informatie had ik
ontleend aan rechtstreekse mededelingen van [appellante] aan mij. Zij heeft mij bij de
voorbereiding van de desbetreffende stukken steeds mondeling medegedeeld dat zij
de auto niet privé gebruikte. Dat was ook op rechtstreekse vragen van mij. U houdt
mij een brief voor van mijn hand van 19 april 2013 met als bijlage de antwoorden
bij de vragen van het UWV in het bezwaar van [appellante] tegen de weigering van
een WW-uitkering. Wat er in deze bijlage staat is juist; daar blijf ik bij. Ik heb
hierop niets aan te vullen.(…) Op vragen van mr. Uhlenbroek antwoord ik als volgt: U vraagt mij of ik met het oog op de totstandkoming van de brief van 10 maart 2011 nog extern advies heb ingewonnen. Ja, bij mr. [naam jurist] van Eversheds Advocaten. U vraagt mij of toen aan de orde is geweest het gebruik van de dienstauto. Ja, ik heb tegen mr. [naam jurist] gezegd dat de ritten werden gemaakt voor nevenactiviteiten van [appellante] , zoals bijvoorbeeld het Oranjefonds. Mr. [naam jurist] heeft hierop gezegd dat deze ritten vallen onder zakelijk gebruik van de dienstauto. Over andere ritten is niet gesproken. Ik was er dus wel van op de hoogte dat de dienstauto werd gebruikt voor nevenactiviteiten. Mr. Willemsen vraagt mij of de nevenactiviteiten die in het gesprek met [naam jurist] aan de orde zijn geweest alleen de zakelijke nevenactiviteiten betrof of ook privé. Duidelijk alleen de zakelijke nevenactiviteiten die aansluitend aan het werk werden verricht.”
25 In de door [strategisch adviseur COA] aangehaalde bijlage, die aan het proces-verbaal van zijn
verhoor is gehecht, staat onder b, punten 6 en 7, het navolgende vermeld:
“6. De rvt heeft uitsluitend aan het departement (in de voordrachtbrieven) en aan
de media gecommuniceerd dat de dienstauto niet privé werd gebruikt, omdat de
beoogde voorzitter van het bestuur (hof: bedoeld wordt [appellante] )
zelf telkenmale heeft verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken.
7. Daarvoor was geen aanleiding, omdat de beoogde voorzitter van het bestuur
steeds zelf heeft verklaard geen privé-gebruik te maken van de dienstauto.”
26 [appellante] heeft als getuige in hoger beroep verklaard: “Aan de orde komt eerst het verwijt dat ik onjuiste informatie zou hebben verstrekt over het privé gebruik van mijn dienstauto aan de Raad van Toezicht. Ik ontken dat hiervan sprake is geweest. (…) U vraagt mij of ik ooit met de heer [toenmalig vz RvT COA] heb gesproken over het privé gebruik van mijn dienstauto. Ik kan mij drie gesprekken herinneren. De eerste keer was in 2007, dit was een telefonisch gesprek naar aanleiding van het advies van Deloitte over de wijziging van de fiscale regeling met betrekking tot de bijtelling van mijn dienstauto. Ik heb de heer [toenmalig vz RvT COA] gezegd dat ik volgens mijn arbeidsovereenkomst onbeperkt recht had op het privé gebruik van mijn dienstauto, en dat als het COA het advies van Deloitte zou volgen om mijn fiscale bijtelling te betalen, ik hiervan ook gebruik zou maken. [toenmalig vz RvT COA] zei toen nog: ‘Daar heb je ook recht op al ga je ermee naar de maan’. Het tweede gesprek dat ik mij kan herinneren was begin september 2011 naar aanleiding van vragen van de NOS. Ik heb dit persoonlijk met hem besproken. Ik heb toen zelf aangegeven dat ik gaarne bereid was om indien nodig de compensatieregeling te laten vervallen. Hij zei toen: ‘Dat is fijn dan hebben we nu een regeling en dan rijd je vanaf nu niet meer privé in de dienstauto’. Dit was een mondelinge afspraak. Ik heb mij daar vervolgens ook aan gehouden. Het derde gesprek dat ik mij kan herinneren was in 2012, toen hebben we samen koffie gedronken. Ik heb [toenmalig vz RvT COA] toen gevraagd of hij deze afspraak uit 2011 nog kon herinneren, en hij wist dit nog glashelder. Buiten deze drie momenten, heb ik met [toenmalig vz RvT COA] niet over het privé gebruik van de auto gesproken.
Met betrekking tot de verklaring van de getuige [toenmalig lid 1 RvT COA] verklaar ik het volgende. Ik kan me geen gesprek herinneren met [toenmalig lid 1 RvT COA] uit maart 2011. Bij zo een gesprek ben ik niet aanwezig geweest. Ditzelfde geldt voor het gesprek in juni 2011 dat [toenmalig lid 1 RvT COA] noemt. Ik heb nooit met [toenmalig lid 1 RvT COA] over mijn arbeidsvoorwaarden gesproken, laat staan over mijn dienstauto.
Met betrekking tot de verklaring van de getuige [toenmalig lid 2 RvT COA] , verklaar ik het volgende. Ik kan me het gesprek met [toenmalig lid 2 RvT COA] herinneren. Hij heeft mij begin 2011 gevraagd om een overzicht te verstrekken over de opbouw van mijn salaris. Dit overzicht hebben we samen doorgenomen. Voor hem was het vooral een zoektocht hoe we alles konden behouden. Hij heeft me niet gevraagd of ik de auto wel of niet gebruikte. Ik heb zelf aangegeven dat de compensatieregeling eventueel kon vervallen indien dit nodig was. Ik heb toen nog lachend opgemerkt dat ik zoveel uren werkte dat ik er toch niet veel gebruik van maakte.
Met betrekking tot de verklaring van de heer [strategisch adviseur COA] : ik heb hem niet meegedeeld dat ik de auto niet privé gebruikte. De heer [strategisch adviseur COA] was lid van het crisisteam dat de beantwoording van de vragen van de NOS voorbereidde. Op maandag 12 september 2011 heb ik in het team, waar ik ook lid van was, een toelichting gegeven op de afspraak die ik net met de heer [toenmalig vz RvT COA] had gemaakt, inhoudende dat ik de auto niet meer privé zou gebruiken. Er is toen in het team uitgebreid overleg geweest of dit punt wel of niet gecommuniceerd moest worden naar de media. Verder heb ik voor zover ik mij kan herinneren geen rechtstreeks contact met de heer [strategisch adviseur COA] hierover gehad. Voor zover in zijn notities en dergelijke staat dat er geen sprake is van privé gebruik door mij van de dienstauto ging dit over de toekomst, over de periode na mijn nieuwe benoeming. In sommige gevallen gingen deze notities eerst in concept langs mij, maar niet altijd. Verder kan ik mij geen gesprek herinneren waarin het onderwerp van het privé gebruik van de dienstauto aan de orde is geweest.”
27 [HRM adviseur] heeft – voor zover op dit punt relevant – verklaard:
“Ik was betrokken bij de voorbereiding op de beantwoording van de vragen van de NOS. Ik maakte daarbij deel uit van een commissie: [naam commissielid 1] , [strategisch adviseur COA] , [naam commissielid 3] , [toenmalig lid 2 RvT COA] , [woordvoerder COA] , [appellante] en ik. Ik hielp mee met de beantwoording van de vragen op HRM gebied. Op 12 september 2011 is de commissie in voltallige samenstelling bij elkaar geweest. [toenmalig lid 2 RvT COA] was daarbij vanuit de Raad van Toezicht aangeschoven. Eerder was hij niet bij de besprekingen aanwezig, maar hij was wel volledig op de hoogte. Wij wilden die dag een klap geven op het voorstel voor de beantwoording, zodat deze naar de NOS kon worden gestuurd. De Raad van Toezicht moest hiervoor zijn akkoord geven en daarom was [toenmalig lid 2 RvT COA] erbij. In dat overleg heeft [appellante] gezegd dat zij met [toenmalig vz RvT COA] had besproken dat zij vanaf 1 september 2011 niet langer privé gebruik zou maken van de dienstauto. [toenmalig lid 2 RvT COA] zei toen: dan gaan we dat communiceren. Toen heeft [appellante] nog gevraagd of er een toelichting moest komen op het verschil voor en na 1 september. Toen zei [toenmalig lid 2 RvT COA] : we leven nu in het heden, dus dat hoeft niet.”
28 Het hof is van oordeel dat het COA eveneens is geslaagd in het bewijs dat [appellante] onjuiste informatie heeft verstrekt aan de Raad van Toezicht over haar privé gebruik van de dienstauto. Zowel de toenmalig voorzitter [toenmalig vz RvT COA] als de toenmalige leden [toenmalig lid 1 RvT COA] en [toenmalig lid 2 RvT COA] hebben hierover onafhankelijk van elkaar verklaard, en hun verklaringen worden ondersteund door de verklaring van [strategisch adviseur COA] . De verklaring van [appellante] dat zij over haar privé gebruik van de dienstauto tussen 2007 en begin september 2011 in het geheel niet met [toenmalig vz RvT COA] heeft gesproken, acht het hof niet overtuigend, gelet op het grote belang van dit onderwerp in 2010/2011 voor haar voordracht als nieuwe bestuursvoorzitter, en gelet op de door [toenmalig vz RvT COA] aan de kantonrechter bij het getuigenverhoor getoonde e-mail van haar hand van 20 april 2011. Ook de weergave door [appellante] van het gesprek met [toenmalig lid 2 RvT COA] begin 2011 acht het hof niet overtuigend, nu deze niet aansluit bij de tekst van de door [toenmalig lid 2 RvT COA] op 23 februari 2011 aan haar gestuurde e-mail. Wat betreft het door [toenmalig lid 1 RvT COA] genoemde gesprek in maart dan wel juni 2011, welk gesprek [appellante] zich niet kan herinneren, is het hof van oordeel dat de verklaring van [toenmalig lid 1 RvT COA] over hetgeen besproken is in dit gesprek duidelijk en overtuigend is, mede in het licht van de verklaringen van de overige commissieleden. Dat [appellante] zich dit gesprek niet meer herinnert, dan wel ontkent dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden, doet aan de bewijskracht van de verklaring van [toenmalig lid 1 RvT COA] niet af. Ditzelfde geldt voor de verklaring van [strategisch adviseur COA] . De verklaring van [appellante] dat het in de door [strategisch adviseur COA] opgestelde stukken, waarin is vermeld dat er geen sprake was van privé gebruik van de dienstauto door [appellante] , slechts ging om de toekomst, om de periode na de benoeming door [appellante] als nieuwe bestuursvoorzitter, acht het hof evenmin overtuigend. De notitie bezoldiging bestuursvoorzitter dateert immers reeds van mei 2011, terwijl [appellante] volgens eigen zeggen pas begin september 2011 met [toenmalig vz RvT COA] zou hebben afgesproken dat ze per 1 september 2011 de dienstauto niet meer privé zou gebruiken. De verklaring van [HRM adviseur] tenslotte dat [appellante] in een overleg op 12 september 2011 heeft gezegd dat zij met [toenmalig vz RvT COA] had besproken dat zij vanaf 1 september 2011 niet langer privé gebruik zou maken van de dienstauto, waarop [toenmalig lid 2 RvT COA] zou hebben gezegd: “dan gaan we dat communiceren”, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de getuigen [toenmalig vz RvT COA] , [toenmalig lid 1 RvT COA] , [toenmalig lid 2 RvT COA] en [strategisch adviseur COA] hebben verklaard over hetgeen [appellante] aan hen heeft meegedeeld in 2010/2011 over haar privé gebruik van de dienstauto.
28 Dat de getuigen niet geheel gelijke opvattingen hebben over de vraag wat nu onder precies onder ‘privégebruik’ moet worden verstaan, maakt het bovenstaande niet anders. [appellante] heeft erkend dat zij tot september 2011 de dienstauto ook privé gebruikte, waarmee zij, naar het hof begrijpt, niet slechts doelt op het tijdens haar (lange) werktijd even doen van een privéboodschap. Voor zover zij dit wel heeft bedoeld wordt deze stelling verworpen. Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van daadwerkelijk privégebruik van de dienstauto. Het hof wijst in dit verband op de verklaring van haar chauffeur [chauffeur] , dat hij de dienstauto in het weekend achterliet bij [appellante] en dat zij in het weekend meestal circa 200 kilometer met de auto reed, en op de eigen verklaring van [appellante] dat zij de verkeersboetes die zij in het weekend had gekregen tijdens privé gebruik van de dienstauto altijd zelf betaalde, en haar verklaring tegenover de politie dat zij de auto in het weekend ook voor privédoeleinden gebruikte en dat haar man er ook wel eens in reed (productie 1 bij memorie van antwoord).
Het verstrekken door [appellante] van onjuiste informatie aan de pers
30 Het hof overweegt dat de kantonrechter dit onderdeel van de bewijsopdracht (in de KOO-zaak, r.o. 2.39) in het midden heeft gelaten, nu de feiten die naar het oordeel van de kantonrechter al door het COA bewezen waren voldoende waren voor de conclusie dat geen sprake is geweest van een kennelijk onredelijk ontslag.
31 Het hof is van oordeel dat het COA niet geslaagd is in het bewijs dat [appellante] onjuiste informatie heeft verstrekt aan de pers. Het bewijs op dit punt berust voor een belangrijk deel op de schriftelijke verklaring van 25 februari 2012 van [woordvoerder COA] (hierna: [woordvoerder COA] ), woordvoerder van het COA, waarin staat dat is gekozen voor de berichtgeving naar de NOS dat de bestuursvoorzitter geen privé gebruik maakte van de dienstauto met chauffeur, terwijl natuurlijk duidelijk was dat dit wel het geval was. De getuigenverklaring die [woordvoerder COA] in hoger beroep heeft afgelegd bevat echter naar het oordeel van het hof dermate veel inconsistenties en tegenstrijdigheden, dat het hof noch deze getuigenverklaring noch de schriftelijke verklaring van 25 februari 2012 voldoende acht voor het bewijs. Daarbij is van belang dat de beantwoording van de vragen van de pers plaatsvond rond augustus/september 2011, terwijl niet weersproken is dat [appellante] vanaf 1 september 2011 daadwerkelijk geen privé gebruik meer heeft gemaakt van de dienstauto.
Het verhullen door [appellante] dat zij de dienstauto, in strijd met wat zij daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte, en het betrekken door [appellante] van ondergeschikten bij dat verhullen
32 In de samenvatting van het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche bv (hierna: Hoffmann) is onder meer vermeld:
“(…)
2.1 Achteraf wijzigen agenda
Vastgesteld is dat er acht werkbezoeken in de digitale agenda van mevrouw
[appellante] zijn ingevoerd die betrekking hadden op voorliggende datums.
Het betroffen bezoeken in de weekeinden aan diverse ‘clusters’ en/of AZC’s. Uit de
gesprekken is gebleken dat deze werkbezoeken, op verzoek van mevrouw [appellante] , in de agenda zijn gezet. Uit het onderzoek is bekend geworden dat deze werkbezoeken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is bekend geworden dat er in totaal 27 afspraken, inclusief de acht hierboven vermelde, achteraf in de digitale agenda van mevrouw [appellante] zijn ingevoerd.
2.2 Privégebruik dienstauto
Bekend werd dat de dienstauto meestal op donderdagavond nabij de woning van mevrouw [appellante] geparkeerd werd en dat deze op maandagochtend weer opgehaald werd. In onze analyse gaan we er dan ook van uit dat de dienstauto vanaf donderdagavond tot en met zondag in het bezit was van mevrouw [appellante] . Wij kunnen echter niet met zekerheid vaststellen of zij dan ook altijd de bestuurder van de dienstauto was.
Vastgesteld is dat er met de dienstauto is gereden op dagen dat mevrouw [appellante] vrij was. Dit blijkt uit bekeuringen/verkeersovertredingen. De betreffende boetes zijn aan het CJIB betaald vanaf de bankrekening waarop het COA het salaris van mevrouw [appellante] overmaakt. Opgemerkt wordt dat verkeersboetes van overtredingen gemaakt tijdens diensttijd altijd zijn betaald door het COA.
De dienstauto is voorzien van een systeem VIP-meldingen dat automatisch meldingen genereert. Aan de hand van die meldingen kan de locatie worden vastgesteld waar de dienstauto zich bevond op het moment van de melding. Vastgesteld is dat er in de weekeinden, op dagen dat mevrouw [appellante] niet werkzaam was, een aantal VIP-meldingen (alarmeringen) vanuit de dienstauto van mevrouw [appellante] werden ontvangen.(…)
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl