Hof Den Haag 18 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3458
Belanghebbende heeft in 2009 haar recht op partneralimentatie prijsgegeven. Haar kinderen ontvangen van de ex-echtgenoot een schenking van € 350.000 en zij lenen dat bedrag aan haar door. Zij kan naar keuze de verschuldigde rente jaarlijks laten bijgeschreven bij de hoofdsom en hoeft levenslang niets af te lossen. Economisch leidt de lening niet tot een vermindering van haar besteedbaar inkomen. Gelet op dit economische resultaat alsmede de strekking van de Wet IB 2001 om uitkeringen die dienen ter vervanging van periodieke uitkeringen in de belasting te betrekken, is het niet aanvaardbaar om het prijsgeven van het recht op de alimentatie anders te duiden dan een afkoop van het recht op alimentatie dat belanghebbende op grond van het echtscheidingsconvenant van mei 2009 had. Anders dan de Inspecteur in het incidenteel hoger beroep stelt, is het voordeel uit de afkoop van de alimentatie niet gelijk aan het bedrag van de schenking van € 350.000 van de ex-echtgenoot aan de kinderen. Dat bedrag is immers betaald aan de kinderen en is tot de vermogens van de kinderen gaan behoren. De waarde van de afkoop schat het Hof met de Rechtbank in goede justitie op € 100.000. Het is in strijd met de bedoeling van de in de Wet IB 2001 opgenomen regeling inzake de eigen woning om in een situatie waarin belanghebbende ervoor kan kiezen de verschuldigde rente jaarlijks bij te schrijven en zij de lening noch de bijgeschreven rente tijdens haar leven behoeft af te lossen, de bijgeschreven rente in het jaar 2011 aan te merken als op belanghebbende drukkende kosten in verband met de eigen woning als bedoeld in artt. 3.110 en 3.120 Wet IB 2001. Dit geldt eens te meer omdat de kans dat de bijgeschreven rente zou worden betaald bijzonder klein was.
De uitspraak op rechtspraak.nl