Hof Den Haag 26 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2547
Belanghebbende heeft zich borg gesteld voor een geldlening van een vennootschap waarin hij een (indirect) belang heeft. Belanghebbende wordt aansprakelijk gesteld op grond van de borgstelling en wenst de omvang van de borgstelling als negatief resultaat uit werk en woning op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning in mindering te brengen. Het Hof oordeelt dat geen niet van de winst van de vennootschap afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde borgstelling te aanvaarden. Tevens wordt belanghebbende door de curator aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort van de vennootschap waarin belanghebbende een (indirect) belang heeft. Het Hof oordeelt dat de verplichting die voor belanghebbende voortvloeit uit deze aansprakelijkstelling voor hem een schuld is, dat deze schuld niet rechtstreeks samenhangt met aan het vermogen van de werkzaamheid toegerekende bestanddelen van het vermogen van belanghebbende en dat de schuld daarom niet tot het vermogen van de werkzaamheid mag worden gerekend. Ten slotte wordt belanghebbende in privé aansprakelijk gesteld uit hoofde van een overeenkomst van geldlening. Het Hof oordeelt dat belanghebbende deze aansprakelijkheid heeft aanvaard in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en dat dit tot gevolg heeft dat een uit deze aansprakelijkstelling voortvloeiend verlies niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kan worden gebracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl