Hof Den Haag 19 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2465
Belanghebbende is vanaf 1 oktober 2011 moedermaatschappij van een fiscale eenheid (FE nieuw) met onder andere de dochtermaatschappijen B BV en C BV. Er zijn voorvoegingsverliezen van een in FE nieuw opgenomen oude FE, gevormd door B BV en C BV met A BV als moedermaatschappij (FE oud). Op 31 december 2011 zijn de maatschappijen van FE oud, met uitzondering van B BV, geliquideerd. Het Hof oordeelt dat verliezen van een oude fiscale eenheid ingevolge artikel 15ae lid 1 letter c Wet Vpb als zodanig verrekenbaar blijven met de aldaar bedoelde winsten van de nieuwe fiscale eenheid, ongeacht of de oude fiscale eenheid na het voegingstijdstip wordt ingekrompen. De voorvoegingsverliezen van FE oud kunnen dus na 31 december 2011 worden verrekend met door FE nieuw behaalde winsten voor zover die zijn toe te rekenen aan B BV, ook al was zij niet de moedermaatschappij van FE oud. Er zijn evenwel geen aan B BV toerekenbare winsten, zodat belanghebbende geen recht heeft op het verrekenen van de voorvoegingsverliezen. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat er winsten toerekenbaar zijn aan B BV verwerpt het Hof die stelling. In de brieven van de Inspecteur kan een dergelijk standpunt niet worden gelezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl