Hof Den Haag 17 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1622

Art. 12 Sv, art. 279 Sr Indien één van de ouders zich niet gedraagt conform gemaakte afspraken of een opgelegde omgangsregeling met een minderjarig kind, leidt dit nog niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van onttrekking van de minderjarige aan wettig gezag of bevoegd opzicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Daargelaten de vraag of het niet correct naleven van de omgangsregeling een door beklaagde gepleegde opzettelijke schending van voornoemde strafbepaling oplevert, is het hof van oordeel dat, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van het onderliggende geschil, zoals die uit het dossier blijken, de naleving van de onderhavige omgangsregeling in beginsel door maatregelen van civielrechtelijke aard dienen te worden gehandhaafd. Het hof is voorts van oordeel dat het strafrecht in een zaak als deze dient te gelden als ultimum remedium (uiterste redmiddel) en in beginsel niet dient te worden ingezet als instrument om medewerking aan een omgangsregeling te bewerkstelligen, aangezien andere (civielrechtelijke) maatregelen de voorkeur verdienen. Tot slot zou een eventuele strafvervolging van beklaagde naar verwachting van het hof niet bijdragen aan verbetering van de verstandhouding tussen partijen, doch veeleer tot een (nieuwe) verstoring van de verhoudingen kunnen leiden met alle nadelen van dien voor het kind van klager en beklaagde. Het klaagschrift biedt geen nadere inzichten. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag als kennelijk ongegrond moet worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen