Hof Den Haag 22 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3017
Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van rijden onder invloed (art. 8 WVW). Voor dit feit had het CBR eerder aan de verdachte de bestuursrechtelijke maatregel van het alcoholslot opgelegd. De wetgever heeft bepaald dat een alcoholslot een maatregel is die geen strafrechtelijk karakter heeft en dat het openbaar ministerie voor hetzelfde feitencomplex als waarvoor de maatregel van het alcoholslot is opgelegd dus ook een strafrechtelijke vervolging mag starten. Het hof komt echter tot het oordeel dat de oplegging van de maatregel van het alcoholslot door het CBR een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM is, en dat deze maatregel als zodanig gelijk moet worden gesteld aan in de strafrechtspleging op te leggen sancties. Naar het oordeel van het hof is een strafrechtelijke vervolging als in casu, voor hetzelfde feitencomplex als waarvoor reeds de maatregel van het alcoholslot is opgelegd in strijd met het wettelijk stelsel. Hieraan moet de conclusie worden verbonden dat het openbaar ministerie op grond van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
De uitspraak op rechtspraak.nl