Hof Den Haag 17 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2710
Vennootschapsbelasting. Belanghebbende (een BV) is sinds 11 januari 2005 een 100%-dochtervennootschap van A BV. A BV heeft ten behoeve van haar dga een pensioenregeling getroffen en daartoe in eigen beheer een pensioenvoorziening gevormd. Belanghebbende heeft van A BV per 31 december 2005 de pensioenverplichting en de lijfrenteverplichtingen overgenomen en tevens daarvoor een overnamevergoeding ontvangen. Belanghebbende is een lichaam als bedoeld in art. 19a, eerste lid, onderdeel d, Wet LB 1964. In geschil is de waardering van de pensioenverplichting ultimo 2005. Subsidiair neemt belanghebbende het standpunt in dat gezien de ontwikkelingen in sterftetabellen en marktrente, een opwaardering van de pensioenverplichting dient plaats te vinden van € 50.764. Het Hof volgt belanghebbende in zijn subsidiaire standpunt, zodat de balanswaarde van de pensioenverplichting exclusief kostenopslag per ultimo 2005 op € 1.418.945 + € 50.764 = € 1.469.709 dient te worden gesteld. Anders dan belanghebbende meent, leidt een beroep op onderdeel B.2.1 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M, Stcrt. 2008, 133 niet tot een verderstrekkend oordeel.
De uitspraak op rechtspraak.nl