Hof Arnhem 5 september 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BS8936
OM-appel tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in eerste aanleg op grond van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het - ook door het openbaar ministerie erkende - gegeven dat ten tijde van de aanhouding van verdachte door één van de verbalisanten disproportioneel geweld is toegepast, kan naar het oordeel van het hof in deze zaak niet de gevolgtrekking wettigen dat verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het hof komt evenwel tot dezelfde conclusie als de eerste rechter, namelijk tot een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging (althans, voor zover het gaat om het onder 1 ten laste gelegde), zij het op een andere grond dan de politierechter. Het hof vindt dat, gelet op de gang van zaken bij de aanhouding van verdachte, vervolging strijd oplevert met één van de beginselen van een goede procesorde, namelijk het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Veroordeling voor het onder 2 ten laste gelegde feit tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis
De uitspraak op rechtspraak.nl