Hof Arnhem 12 april 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ3104
Art. 3:33, 3:35, 7:312, 7:367, 7:369, 7:370 en 7:376 BW; art. 1019r Rv. Uitleg van exploot. Behelst het een opzegging als bedoeld in art. 7:367 BW? Mede tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis van artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek veronderstelt een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte dat sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Voor de vraag of daarvan sprake is, acht het hof de navolgende gezichtspunten in het bijzonder van belang: a. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten; b. de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden; c. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement; d. de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft; een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval. De verplichting van de pachter om het gepachte bedrijfsmatig te exploiteren, welke gehoudenheid onder meer blijkt uit artikel 7:376 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek, is een duurverbintenis. Indien een pachter in de nakoming van deze verbintenis is tekortgeschoten, kan hij zijn verplichting weliswaar voor de toekomst nog nakomen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt, zodat wat deze tekortkoming betreft nakoming niet meer mogelijk is. In verband met deze onmogelijkheid van nakoming is, anders dan waar de pachtkamer in eerste aanleg vanuit is gegaan, verzuim (en ingebrekestelling) niet vereist. Het hof verwijst naar de arresten van de Hoge Raad van 11 januari 2002, NJ 2003, 255, inzake Schwarz/Gnjatovic, en 22 juni 2007, LJN BA4122, inzake ...../Tycho. Hof kondigt plaatsopneming aan op de voet van art. 1019r Rv.
De uitspraak op rechtspraak.nl