Hof Arnhem 19 juli 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:1766
Beroep op vernietiging van een overeenkomst van geldlening wegens ontbreken van toestemming van de echtgenotes van de geldnemers op de voet van art. 1:88 en 1:89 BW. Uit rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp wordt afgeleid dat het in beginsel niet mogelijk is om niet in artikel 1:88 lid 1 onder c BW omschreven overeenkomsten onder het bereik daarvan te brengen op de grond dat deze materieel dezelfde strekking hebben en/of evenzeer nadelig voor de andere echtgenoot zijn als de in de wet genoemde overeenkomsten. Voor het maken van een uitzondering hierop is niet voldoende dat de direct betrokkenen - de geldgever, de formele geldnemer en de werkelijke geldnemer - bewust hebben ingestemd met een constructie die materieel gelijk staat met een in artikel 1:88 lid 1 onder c BW genoemde. Voor een dergelijke uitzondering zou wel plaats kunnen zijn wanneer de constructie de strekking heeft om de ingevolge artikel 1:88 BW vereiste toestemming te ontgaan. In dit geval is daarvan echter niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl