Hof Arnhem 23 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BP7695

7:311 BW; 7:377 BW. "Ploegruil" Op grond van de ploegruil zijn twee pachtovereenkomsten tot stand gekomen waarbij partijen over en weer in hun hoedanigheid van pachter en verpachter zijn opgetreden. Deze beide pachtovereenkomsten zijn samenhangende rechtsverhoudingen. Beide pachtovereenkomsten houden immers zodanig verband met elkaar dat wijzigingen die intreden in de ene pachtovereenkomst mogelijk gevolgen behoren te hebben voor de andere pachtovereenkomst. Voor de vraag of dat het geval is en tot welke rechtsgevolgen dit moet leiden, zijn de aard van de overeenkomsten, de gedragingen van partijen en de verwachtingen die zij over en weer van elkaar mochten hebben en de overige feiten en omstandigheden van het geval van belang, een en ander onverminderd de toepasselijkheid van de (grotendeels dwingendrechtelijke) wettelijke regeling van de pacht. Indien het hof na een comparitie van partijen tot het oordeel komt dat de pachtovereenkomst waarbij appellant pachter is nog van kracht is, komt aan de orde of verpachter (een gemeente) ontbinding daarvan kan vorderen met de verplichting de pachter schadeloos te stellen. De verpachter beroept zich op de voet van het hier toepasselijke artikel 7:377 BW op bestemmingswijziging als grond voor ontbinding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen