Hof Arnhem 22 december 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO8223

Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling. De afwijking van de desbetreffende beleidsregels in de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wordt in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden. Ten overvloede overweegt het hof dat de vordering is ingediend binnen de uiterlijke termijn als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud). De vordering is echter niet onverwijld ingediend, zoals wordt voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud). Het feit dat veroordeelde niet is opgespoord verklaart niet waarom de vordering zo laat is ingediend. Het uitstel van de indiening van de vordering wordt niet gerechtvaardigd door het opsporingstraject. Dit had kunnen leiden tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering als het hof tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou zijn gekomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen