Hof Arnhem 11 oktober 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO1945

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank die feitelijk twee beslissingen omvat, te weten de afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de gedragsbeïnvloedende maatregel en de omzetting van deze maatregel in jeugddetentie voor de duur van acht maanden. In het algemeen heeft een betrokkene geen belang bij het instellen van beroep tegen een afwijzing van de verlengingsvordering. In dit specifieke geval ziet het hof echter wel het belang van betrokkene bij dit beroep. Dit belang is gelegen in het oordeel van het hof dat de rechtbank in het tweede deel van haar uitspraak een in meerdere opzichten onjuiste beslissing heeft genomen, die voor betrokkene zeer nadelig is. In de overwegingen van de rechtbank zijn de beslissing tot afwijzing van de vordering tot verlenging en de beslissing tot het (ten onrechte) gegeven bevel tot omzetting onlosmakelijk met elkaar verbonden; de rechtbank wijst de vordering tot verlenging af omdat het tot een bevel tot omzetting komt. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat betrokkene ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen