Hof Arnhem 11 mei 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM5271
Geldigheidsduur van een voorlopige machtiging onder opschortende voorwaarde van beëindiging van de TBsmaatregel. Vooropgesteld dient te worden dat de wetgever bij de totstandkoming van de wettelijke regeling rondom de voorlopige machtiging op grond van de wet BOPZ geen regeling heeft getroffen voor de verlening van de voorlopige machtiging onder de opschortende voorwaarde. Ook maakt de wetsgeschiedenis geen melding van deze variant in het kader van de al dan niet verlenging van een terbeschikkingstelling. Het te volgen kader is in de jurisprudentie uiteengezet zonder dat daarbij expliciet aandacht is besteed aan het vraagpunt of de “geldigheidsduur” van veertien dagen van de voorlopige maatregel zoals genoemd in artikel 10 lid 1 van de wet BOPZ ook geldt wanneer een voorwaardelijke machtiging is verleend onder opschortende voorwaarde van beëindiging van de TBS en zo ja of de termijn van veertien dagen dan (ook) ingaat na dagtekening van de voorlopige machtiging of eerst na vervulling van de opschortende voorwaarde. Gelet op de specifieke context waarin in de jurisprudentie de voorlopige machtiging onder opschortende voorwaarde is ontwikkeld, legt het hof de toepasselijke regelgeving zo uit dat tenuitvoerlegging van een in deze context verleende voorlopige BOPZ-machtiging dient te geschieden binnen veertien dagen nadat zich de in de opschortende voorwaarde genoemde gebeurtenis, in casu het onvoorwaardelijk eindigen van de TBS, heeft voorgedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl