Hof Arnhem 9 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL3756
Vordering tot ontbinding vanwege tekortkomingen van de pachter. art. 7:376 BW, 6:80 BW. Twee broers verpachten ieder een eigen stuk grond aan een en dezelfde pachter. Zij wensen de pachtovereenkomsten te ontbinden, onder meer omdat de pachter melkquotum zou hebben verkocht en/of het melkquotum nooit op zijn naam heeft gehad. De kernoverwegingen van het hof in dit arrest zijn: Volgens vaste rechtspraak van dit hof is het uitgangspunt dat indien een pachter – zonder toestemming van de verpachter – tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst het met het gepachte samenhangende quotum geheel of gedeeltelijk verkoopt, de verpachter de gevolgen van niet-nakoming op de voet van het eerste lid onder a van artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek reeds op het moment van verkoop kan doen intreden. Dit is wat verpachter kennelijk met zijn vorderingen 1 tot en met 3 beoogt. Voor toewijzing van die vorderingen is vereist dat aan alle voorwaarden van voornoemd artikellid is voldaan. Dat is niet het geval. Pachter heeft immers gemotiveerd betwist dat hij niet in staat zal zijn bij het einde van de pachtovereenkomst het met de pacht samenhangende melkquotum aan verpachter terug te leveren. Het staat dus niet vast dat - bij de reguliere beëindiging van de pachtovereenkomst - nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn zoals het eerste lid onder a van artikel 6:80 BW verlangt. Verpachter - op wie de bewijslast rust - heeft dat ook niet nader onderbouwd. Het recht om, voordat zijn aanspraak op oplevering van een evenredig gedeelte van het met het oorspronkelijk gepachte samenhangende quotum opeisbaar is, reeds de ontbinding van de pachtovereenkomst in te roepen en waardevergoeding te vorderen, komt aan verpachter dus niet toe. Voor zover in de stellingen van verpachter moet worden gelezen dat op een pachter een zelfstandige verbintenis rust om het met het gepachte samenhangende melkquotum op zijn naam te (ver)krijgen, verwijst het hof naar hetgeen onder rov. 4.4 is vooropgesteld. Op een pachter rust enkel de verbintenis om bij gelegenheid van het einde van de pacht bedoeld quotum aan de verpachter ter beschikking te stellen. Hetgeen voorafgaand aan de opeisbaarheid van die verbintenis geschiedt, heeft slechts gevolgen voor zover aan de eisen van artikel 6:80 BW is voldaan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er onvoldoende gronden zijn die de ontbinding van de pachtovereenkomst kunnen dragen. Nu niet vast staat dat pachter bij het einde van de pacht niet in staat zal zijn het met de pacht samenhangende melkquotum aan verpachter terug te leveren, heeft de laatste in dit geding noch recht op levering noch op vergoeding van 50% van de waarde van het quotum.
De uitspraak op rechtspraak.nl