Hof Arnhem 5 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL2346
Op 5 februari 2010 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem, een 47 jarige vrouw, A.P. B., veroordeeld wegens moord. Verdachte werd ervan verdacht in de periode van 19 tot en met 20 juni 2008 te Arnhem haar veertienjarige dochter met voorbedachten rade van het leven te hebben beroofd door toediening van medicijnen en het opendraaien van een gasfles handelspropaan. Verdachte heeft verklaard dat zij geen herinneringen heeft aan de gebeurtenissen op 19 en 20 juni 2008. De raadsman heeft aangevoerd dat als er niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd, vrijspraak dient te volgen. Het hof heeft de conclusie dat de vrouw verminderd toerekeningsvatbaar was overgenomen. De gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat onvoldoende argumenten zijn om een persoonlijkheidsstoornis te diagnosticeren, maar wel van een gebrekkige ontwikkeling harer geestvermogens. Verder wordt het recidiverisico van een soortgelijk feit klein geacht. Het hof heeft, gelet op de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde misdrijf en de mate van toerekeningsvatbaarheid, de vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl