Hof Arnhem 7 juli 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3061
artikel 36 Pachtwet (oud) Oud recht. De door de verpachter gedane kennisgeving van niet-verlenging (gedaan aan de enige pachter van dat moment) verhinderde dat de pachtovereenkomst van rechtswege werd verlengd. Vervolgens was verlenging van de pachtovereenkomst alleen mogelijk op verzoek van de pachter. Die pachter heeft om verlenging verzocht, maar dat verzoek is afgewezen zonder dat tegen die beschikking hoger beroep is ingesteld. Daaruit volgt dat de pachtovereenkomst na ommekomst van de huidige pachttermijn eindigt. De omstandigheid dat geïntimeerde bij vonnis van 11 juni 2007 als medepachter is aangemerkt, brengt in het vorenstaande geen verandering, omdat de beschikking in de verlengingsprocedure ten aanzien van hem geen andere beslissing bevat dan ten aanzien van zijn moeder; het verlengingsverzoek is immers zonder meer afgewezen. Dat de beschikking in de verlengingsprocedure geen rekening hield met zijn belang als medepachter, had voor geïntimeerde aanleiding kunnen zijn om tegen die beschikking hoger beroep in te stellen. Hij heeft dat nagelaten en moet daarvan de gevolgen dragen. Uit het vorengaande volgt dat geïntimeerde medepachter is geworden in een pachtverhouding die na ommekomst van de huidge pachttermijn eindigt. De door geïntimeerde in dit geding verdedigde en in het bestreden vonnis aanvaarde opvatting, volgens welke het vonnis 11 juni 2007 tot gevolg had dat verpachter andermaal kennis diende te geven dat hij geen verlenging wenste, nu aan geïntimeerde, verdaagt zich niet met het stelsel van de Pachtwet.
De uitspraak op rechtspraak.nl