Hof Arnhem 13 januari 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BH6418

De vraag of het beding onredelijk bezwarend is, dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van de open norm van artikel 6:233, aanhef en onder a BW. Daarbij wijst het hof op het in deze zaak niet van toepassing zijnde (zie hiervoor onder 4.3) artikel 7:940 lid 2 BW, dat bepaalt dat de verzekeringnemer en, tenzij het een persoonsverzekering betreft, de verzekeraar een overeenkomst die is aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar, of die voor zulk een periode is verlengd, kunnen opzeggen tegen het einde van elk vijfde jaar binnen die periode. Gelet op deze bepaling zal een stilzwijgende verlenging voor drie jaar op zichzelf niet snel als onredelijk bezwarend zijn aan te merken. Verder valt te wijzen op artikel 7 lid 1 Zorgverzekeringswet, waarin voor de verzekeringnemer de mogelijkheid is opgenomen tot opzegging van de zorgverzekering op uiterlijk 31 december van ieder jaar tegen 1 januari van het volgende kalenderjaar. Deze bepaling is geschreven voor een specifieke verzekeringsvorm en leent zich in beginsel niet voor analoge toepassing op andere verzekeringen. Niet uitgesloten is evenwel dat de aard en overige inhoud van de onderhavige verzekeringsovereenkomst, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het onderhavige geval tot de conclusie voeren dat het beding van stilzwijgende verlenging voor drie jaar toch onredelijk bezwarend is. Het hof zal de beantwoording van deze vraag aanhouden tot na de hierna op te dragen bewijslevering en comparitie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen