Hof Arnhem 17 februari 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BH4710
Ingevolge artikel 26 lid 8 WAM is op de rechtsvordering van de benadeelde tegen het Waarborgfonds artikel 10 WAM van overeenkomstige toepassing. Op grond van de jurisprudentie van het Benelux Gerechtshof (BenGH 20 oktober 1989, NJ 1990, 660) moet worden aangenomen dat slechts dan geen sprake is van een onderhandeling als bedoeld in lid 5 (eerste volzin) van artikel 10 WAM als Winterthur uit mededelingen van het Waarborgfonds moet hebben begrepen dat het Waarborgfonds een regeling zonder meer uitsloot. Uit de onder 3.7 weergegeven correspondentie uit het najaar van 1998 volgt – en zo moet Winterthur dat redelijkerwijs ook hebben begrepen – dat het Waarborgfonds geen taak voor zichzelf weggelegd zag, omdat zij ervan uitging dat de Poolse vrachtwagencombinatie bij het ongeval was betrokken. Winterthur hoefde daaruit echter toen niet af te leiden dat het Waarborgfonds bij gebreke van een positieve identificatie van die vrachtwagencombinatie (zoals later in de procedure tussen [betrokkene A] en het Bureau ook is komen vast te staan) iedere aansprakelijkheid van de hand zou wijzen (zoals zij later en in de onderhavige procedure ook heeft gedaan). Met de aansprakelijkstelling uit 1998 en het daarop gevolgde antwoord van het Waarborgfonds is de verjaring derhalve gestuit. Het gaat hier om een zogenaamde ‘duurstuiting’ (vgl. HR 18 januari 2008, NJ 2008, 58), dat wil zeggen dat een eventuele nieuwe verjaringstermijn pas begint te lopen op het moment waarop een van de partijen bij exploot of aangetekende brief aan de andere partij heeft kennisgegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt (aldus de tweede volzin van lid 5 van art. 10 WAM). Het Waarborgfonds heeft niet gesteld noch is daarvan op andere wijze gebleken dat dat moment vroeger heeft plaatsgevonden dan bij het uitbrengen van de dagvaarding in 2004.
De uitspraak op rechtspraak.nl