Hof Arnhem 11 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH6017
Het faillissement van [geïntimeerde sub 1] onderscheidenlijk de daaruit voortvloeiende bevoegdheid van de curator om ten behoeve van door de gefailleerde benadeelde schuldeisers een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen tegen één of meer bij die benadeling betrokken derde(n), staat er op zich zelf niet aan in de weg, dat schuldeisers, zoals [appellant], zelf een hun toekomende, soortgelijke vordering uit onrechtmatige daad tegen die derde(n) geldend maken. De vordering, waarvan de curator in zijn brief aan [appellant] d.d. 16 januari 2008 (vgl. productie 4 bij memorie van grieven) melding maakt, evenwel is kennelijk gestoeld op benadeling van gezamenlijke schuldeisers door de transactie tussen [geïntimeerde sub 1] enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds met betrekking tot de kipppenschuur. De onderhavige vordering van [appellant], één van die schuldeisers, is daarop eveneens gebaseerd. Derhalve acht het hof het zowel in het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement als - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen - in het belang van een goede procesorde om ook deze vordering van [appellant] naar de slaaprol te verwijzen.
De uitspraak op rechtspraak.nl