Hof Arnhem 11 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH6005

De rechtbank heeft hier, zoals het Kadaster ook aanvoert, kennelijk de zogenoemde omkeringsregel toegepast, die inhoudt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 Rv wordt gemaakt in die zin dat het bestaan van conditio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor de toepassing van deze regel is vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en dat degene die zich op de schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 29 november 2002, LJN AE7351 en AE7345).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen