Hof Arnhem 10 juni 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH2887

Bij de vaststelling van het object van de huurovereenkomst is beslissend de bedoeling van partijen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst. Naar het oordeel van het hof was de (kennelijke) bedoeling van de toenmalige verhuurder [A.] en de toenmalige huurder [appellante] de verhuur van een onbebouwde onroerende zaak, namelijk een standplaats. Ten eerste staat immers vast dat er op de camping geen opstallen werden verhuurd. Dit is door de gemeente gesteld en door [appellante] niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Ten tweede staat vast dat [appellante], net als de andere huurders, de reguliere huur voor een standplaats betaalde. Ook dit is door de gemeente gesteld en door [appellante] niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Deze stelling van de gemeente wordt ook ondersteund door de facturen van 5 december 2005 en 29 maart 2007 die [appellante] bij appeldagvaarding, tevens memorie van grieven (productie 4) heeft overgelegd. Op de derde plaats staat vast dat [appellante] (al dan niet via bemiddeling van de voormalig exploitant) aan de vorige huurder € 5.000,- heeft betaald. [appellante] heeft dit gesteld en dit is door de gemeente niet betwist. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft [appellante] gesteld dat zij de stacaravan voor dit bedrag heeft gekocht. De gemeente heeft dit niet betwist. In hoger beroep is [appellante] echter teruggekomen op deze stelling en stelt zij onder punt 21 van haar pleitnota d.d. 11 april 2008 dat het overnamekosten betreft zoals dat in de praktijk ook bij reguliere huurwoningen voorkomt. Het hof acht onwaarschijnlijk dat [appellante] € 5.000,- heeft betaald om zaken in de stacaravan van de vorige huurder over te nemen -die stelling is door [appellante] in elk geval op geen enkele wijze nader geconcretiseerd-, niet in de laatste plaats omdat zij aanvankelijk zelf heeft betoogd de stacaravan voor dat geld te hebben gekocht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen