Hof Arnhem 26 augustus 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH1421

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.9 is overwogen is het hof met Haskoning en SPH van oordeel dat de inkomensgarantieregeling niet los kan worden gezien van de door Haskoning als werkgever gehanteerde pensioenregeling, en dat de strekking en reikwijdte ervan in het licht daarvan moeten worden beoordeeld. Om die reden is het argument dat [appellanten] geven voor hun stelling dat de wijzigingsbepalingen in de pensioenreglementen niet zien op de inkomensgarantieregeling niet overtuigend en kan de stelling dat de inkomensgarantieregeling een op zichzelf staande, ongeclausuleerde en voor onbeperkte duur geldende garantie is, waaraan Haskoning onder alle omstandigheden is gebonden, zonder nadere uitleg, welke [appellanten] niet geven, geen stand houden. Naast de wijzigingsbepalingen in de pensioenreglementen verwijzen Haskoning en SPH ook nog naar de hiervoor genoemde wijzigingsbepaling in de AVR (rechtsoverweging 2.8), waartegen [appellanten] niets hebben ingebracht. Alles overziende komt het hof dan ook tot de conclusie dat sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op grond waarvan Haskoning in beginsel bevoegd was de arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen