Hof Arnhem 16 december 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH0074
In het onderhavige geschil is inmiddels in hoger beroep ook de vraag aan de orde of de relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] kan worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, zoals [geïntimeerde] in het voetspoor van het eindvonnis stelt. De beantwoording van deze vraag is nauw verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij acht het hof onder meer van belang hoe de contacten tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand zijn gekomen, wie daartoe het initiatief heeft genomen, hoe [appellant] zich jegens [geïntimeerde] heeft gepresenteerd, welke rol [appellant] tijdens de contacten met [geïntimeerde] vervulde en of [appellant] andere werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] heeft verricht. Deze omstandigheden dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en afgewogen. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen met betrekking tot met name: I. de verhouding tussen [appellant] en de klant, in dit geval [geïntimeerde], en meer in het bijzonder de wijze waarop de contacten tussen beiden totstandkwamen en verliepen; II. de verhouding tussen [appellant] en Assurantiewacht, en meer in het bijzonder de rol die Assurantiewacht speelde bij het in contact brengen van [appellant] met de klant, in dit geval [geïntimeerde], de wijze waarop Assurantiewacht [appellant] informeerde over de aan te bieden producten en de hoogte van de door [appellant] voor zijn werkzaamheden ontvangen beloning; III. de relevante opleidingen die [appellant] heeft gevolgd.
De uitspraak op rechtspraak.nl