Hof Arnhem 16 december 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG7437
Melkquotum; wettelijke rente BW 6:80, 7:358 Uitgangspunt van de vaste rechtspraak met betrekking tot het melkquotum is dat met de totale in 1984 gepachte grond melkquotum is gaan samenhangen. Indien met betrekking tot een gedeelte van deze grond de pacht wordt beëindigd, ontstaat volgens dezelfde rechtspraak op het moment van die beëindiging een aanspraak van de verpachter op oplevering van een evenredig gedeelte van het met het oorspronkelijke gepachte samenhangende quotum, waartegenover de pachter aanspraak kan maken op vergoeding van in beginsel de helft van de waarde van dat gedeelte. Partijen kunnen echter ook overeenkomen dat zij hun aanspraken met betrekking tot bedoeld gedeelte van het quotum “doorschuiven” tot het moment dat de pacht met betrekking tot de resterende gronden wordt beëindigd. Komen zij dat inderdaad overeen, dan leidt dat ertoe dat met de resterende gronden evenredig meer quotum gaat samenhangen, zodat men in dat geval kan zeggen dat het melkquotum “indikt”. Voor de vraag of partijen inderdaad zijn overeengekomen dat zij hun aanspraken met betrekking tot het quotum doorschoven en dus het melkquotum is “ingedikt”, komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Die maatstaf brengt mee dat – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – soms ook een bepaalde bedoeling van partijen wat betreft hun aanspraken met betrekking tot het melkquotum behoort te worden verondersteld, omdat die bedoeling in de gegeven omstandigheden zozeer voor de hand lag, dat partijen over en weer elkaar in die zin hebben moeten begrijpen, ook zonder dat de kwestie van het melkquotum met zoveel woorden tussen hen aan de orde is geweest. Indien een pachter tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst het met het gepachte samenhangende quotum geheel of gedeeltelijk verkoopt, kan de verpachter weliswaar de gevolgen van niet-nakoming op de voet van het eerste lid van artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek reeds in op het moment van verkoop doen intreden – met als gevolg dat de verpachter direct aanspraak kan maken op de helft van de verkoopopbrengst – maar blijft volgens het tweede lid van die bepaling het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid gelden voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging, zodat wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de pachtovereenkomst eindigt.
De uitspraak op rechtspraak.nl