Hof Arnhem 23 september 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG2127

Zoals hiervoor al aangeduid, heeft het hof in zijn arrest van 28 mei 2002 onder rov. 4.2 de bewijslast op de verzekeraar gelegd en onder rov. 4.9 Bovemij in dat bewijs voorshands geslaagd geoordeeld. Het door [geïntimeerden in 104.002.634] te leveren bewijs zag derhalve niet op het leveren van tegendeelbewijs, noch op het aantonen dat de brand een andere oorzaak had dan brandstichting, maar enkel op tegenbewijs, dat wil zeggen het ontzenuwen van het vermoeden, c.q. voorshands bewezen geoordeelde dat [geïntimeerde sub 3 in 104.002.634] “in negatieve zin bij het ontstaan van de brand betrokken is geweest doordat hij” de brand heeft laten stichten. Anders dan Bovemij onder haar grief 1 aanvoert, vereist dit niet dat [geïntimeerden in 104.002.634] “positief” bewijs leveren dat [geïntimeerde sub 3 in 104.002.634] niet bij het ontstaan van de brand is betrokken. Evenmin was nodig, zoals Bovemij onder grief 2 betoogt, dat [geïntimeerden in 104.002.634] de onjuistheid van een of meer aan dat vermoeden ten grondslag gelegde uitgangspunten aantoonden. Deze grieven worden verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen