Hof Arnhem 30 september 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG1724

(vervolg van tussenarrest 4 maart 2008)Voorzover de grief de waardering van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen door de rechtbank aan de orde stelt, overweegt het hof als volgt. [appellante] heeft in eerste aanleg verklaard dat zij, omdat dat niet van [persoon A] mocht, aan [geïntimeerde] niet heeft verteld wat het doel van de reis was en dat zij voor het vertrek niet wist of [geïntimeerde] ervan op de hoogte was dat de koffers drugs bevatten. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] tijdens het proces wel gezegd dat hij van de drugssmokkel wist, maar niet hoe hij aan die wetenschap kwam. Daartegenover staat de verklaring van [geïntimeerde] dat hij en [persoon A] tijdens het proces hebben verklaard dat zij niet van de drugssmokkel op de hoogte waren. Gelet op artikel 164 Rv. lid 2 kan de verklaring van partijgetuige [appellante] geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Sprake moet zijn van een begin van bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft, dat dit de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391; HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592; HR 10 december 1993, NJ 1994, 667). Uit het hiervoor onder 2.3 - 2.4 overwogene volgt, dat van een zodanig begin van bewijs in dit geval geen sprake is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen