Hof Arnhem 26 augustus 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG1627

Er bestaat geen wettelijk of ander voorschrift dat verhindert dat de bij de ingevolge artikel 481 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) benoemde rechter-commissaris op 6 januari 2004 de renvooiprocedure berecht. Uit het enkele feit dat mr. Zweers als rechter-commissaris de staat van verdeling heeft opgemaakt, dat ingevolge artikel 485a Rv de tegenspraak zich tot hem in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris heeft gericht en dat hij vervolgens de zaak op de voet van artikel 486 Rv heeft verwezen naar de zitting van de rechtbank, volgt nog niet dat hij “niet de vereiste onbevangenheid bezat” om het gerezen geschil in de renvooiprocedure te berechten. [appellanten] voert in dit verband nog aan dat genoemde rechter hem het stellen van vragen aan getuigen zou hebben belet. Ook dit bezwaar wordt verworpen omdat, nog daargelaten dat uit de processen-verbaal van getuigenverhoor niet blijkt dat [appellanten] het stellen van vragen aan de getuigen is belet noch van bezwaren daartegen van [appellanten] (vgl. artikel 180 lid 1 Rv), de enkele omstandigheid dat de rechter ten overstaan van wie het in artikel 177 e.v. Rv bedoelde getuigenverhoor plaatsvindt een partij belet om bepaalde vragen te stellen niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat die rechter “niet de vereiste onbevangenheid bezit”, althans dat gegronde vrees bestaat dat deze onbevangenheid ontbreekt. Nu voor het overige geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit kan blijken óf, en in hoeverre, de rechter die de zaak na verwijzing heeft berecht als rechter-commissaris in de rangregelingsprocedure zich reeds een beeld had gevormd van de zaak en in feite al een beslissing had genomen, kan niet worden aangenomen dat geen sprake is geweest van een onpartijdige behandeling van het geschil.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen