Hof Arnhem 23 september 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG0442

Het hoger beroep legt het hof de vraag voor of, en zo ja: in hoeverre, [appellant] het bedrag van € 16.090,- dat op 26 augustus 2003 op zijn (Postbank-)rekening is bijgeschreven uit hoofde van onverschuldigde betaling aan de bank moet terugbetalen. In dat verband staat als door de bank gesteld en door [appellant] niet of onvoldoende weersproken vast dat de hiervoor bedoelde (telefonische) overboeking naar de rekening van [appellant] heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor een rechtsgrond aanwezig was. [appellant] betwist immers niet de stelling van de bank dat de opdracht tot deze overboeking niet afkomstig was van [persoon A] (de gerechtigde tot de tegenrekening) zodat sprake moet zijn geweest van frauduleuze handelingen. Anders dan [appellant] kennelijk meent onderstreept dat slechts het onverschuldigde karakter van de betaling. Dat frauduleuze karakter van de overboeking doet voorts niet af aan de conclusie dat [appellant] op grond van artikel 6:203 van het BW in beginsel is gehouden dit bedrag aan de rechthebbende, in dit geval de bank, terug te betalen. In zoverre wordt grief I vergeefs voorgesteld. De vraag is dan of deze terugbetalingsverplichting wordt beperkt door het bepaalde in artikel 6:209 BW, dat in dit geval van toepassing is omdat [appellant] ten tijde van de ontvangst van het geld nog minderjarig en dus handelingsonbekwaam was [..].

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen