Hof Arnhem 14 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG0390

Nu Ekeby en [persoon A], blijkens het hierboven onder 4.4 overwogene, uitvoering hebben gegeven aan de in de vestigingsakte toegekende beëindigingsregeling en die regeling (van de opzegging door de eigenaar) ingevolge artikel 5:87 lid 3, tweede volzin, BW rechtsgeldig is, moet worden aangenomen dat het recht van erfpacht is beëindigd. Daarbij merkt het hof nog op dat, anders dan VTP meent, een dergelijke opzeggingsregeling ook onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht was toegestaan (artikel 782 BW oud). De omstandigheid dat de opzegging niet is geschied bij exploot, betekent in het onderhavige geval niet dat de opzegging geen effect heeft gehad. De eerste twee grieven, die het oordeel van de rechtbank bestrijden dat van dit recht afstand is gedaan door [persoon A], treffen op zichzelf doel, doch dit leidt gezien het bovenstaande niet tot de conclusie dat het recht niet is geëindigd. De derde grief, die inhoudt dat ook op andere wijze het recht niet is geëindigd en dat de gevorderde verklaring voor recht alsnog moet worden toegewezen, gaat daarom niet op. De grieven vijf tot en met acht zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in dit geval niet van toepassing is. Deze bepaling houdt in dat onder een beslag eveneens vallen vorderingen tot vergoeding die na de inschrijving in de plaats van de (onroerende) zaak zijn getreden en dat deze met overeenkomstige toepassing van artikel 507 Rv derde lid aan de notaris (ten overstaan van wie de executie zal plaatsvinden) moeten worden voldaan, behoudens de rechten van derden die de executant moet eerbiedigen. Het hof is van oordeel dat het bij het door Ekeby op 22 november 2000 aan de notaris betaalde bedrag niet is gegaan om de betaling van een koopprijs, maar van een schadevergoeding, die betaald werd aan de erfpachter in verband met de beëindiging van het recht van erfpacht en opstal door de eigenaar. Het hof is dan ook - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de vordering van [persoon A] tot vergoeding, in het geval dat deze vordering in de plaats van het verbonden goed zou treden, ingevolge artikel 507a Rv in beginsel onder het beslag viel. Dit betekent echter niet dat VTP in dit verband nog een vordering op Ekeby heeft. In de akte beëindiging erfpachtrecht van 22 november 2000 is vermeld dat de door Ekeby verschuldigde schadevergoeding op die datum aan de erfpachter is voldaan door storting op rekening van de notaris, zodat de erfpachter aan de eigenaar voor de betaling van de schade vergoeding kwijting verleent, en dat de betrokken partijen (onder meer) in verband hiermee verklaren dat de rechten van erfpacht en opstal met ingang van diezelfde datum zijn geëindigd. Dit houdt in dat in het onderhavige geval geen vordering tot vergoeding (van [persoon A] op Ekeby) in de plaats van het verbonden goed (het recht van erfpacht en van opstal) is getreden en dat dus evenmin van rechtswege een recht van pand op een dergelijke vordering is ontstaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen