Hof Arnhem 13 mei 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BF6799
Volgens artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Bij de beantwoording van de vraag of aan het in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste is voldaan, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (HR 24 maart 2006, LJN: AU7935, RvdW 2006, 310). De door Dopharma ingeroepen bepalingen uit de diergeneesmiddelenwetgeving strekken ter bescherming van de volksgezondheid, de gezondheid van afzonderlijke consumenten en ter bescherming van dieren, maar niet tot bescherming van een eerlijke mededinging of tegen schade zoals Dopharma als benadeelde stelt te hebben geleden. Niettemin kan daarvoor aansprakelijkheid bestaan omdat onder de omstandigheden van het geval die schending bijdraagt tot het oordeel dat een zorgvuldigheidsnorm is geschonden die wèl bescherming biedt tegen die schade (de zogenaamde correctie Langemeijer in onder meer het arrest HR 10 november 2006, LJN: AY9317, RvdW 2006, 1058). Dopharma heeft wel aangevoerd dat zij door het handelen van A.A.-Vet schade lijdt in de vorm van inkomstenderving bij de verkoop van de door haar concern geregistreerde diergeneesmiddelen, maar zij heeft zich, ook in antwoord op grief II met de bijbehorende toelichting in het voorwaardelijk incidenteel appel, niet beroepen op schending van een norm die strekt tot bescherming van haar eigen, buiten de diergeneesmiddelenwetgeving gelegen, belangen, noch een zodanig feitencomplex aan haar vordering ten grondslag gelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl