Hof Arnhem 8 april 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BE8727
BSZB-quotum BW 7:347, 7:358 Vraag of het op basis van de Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten (BSZB) toegekende quotum op gelijke wijze als het reguliere melkquotum met het gepachte samenhangt. Uit de toelichting bij de BSZB blijkt dat de regeling is gebaseerd op Verordening (EEG) nr. 306/91, welke verordening strekt tot wijziging van, voor zover hier van belang, de bepaling van artikel 12 onder b van Verordening (EEG) 857/84 (de voorganger van Verordening (EEG) 3950/92 en de thans geldende Verordening (EG) 1788/2003). Bedoelde wijziging betreft het begrip “andere zuivelprodukten” en wel in die zin dat aan de omschrijving van dat begrip het limitatieve karakter is ontnomen. Als gevolg daarvan kwamen vanaf 1 april 1991 boerderijzuivelproducten zoals die door pachtster werden geproduceerd, onder het stelsel van de superheffing te vallen. Artikel 7 lid 1 van de Verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 590/85, bepaalde dat bij overdracht van het bedrijf de overeenkomstige referentiehoeveelheid aan de koper, huurder of erfgenaam wordt overgedragen en het vierde lid van dat artikel 7 bepaalde dat in het geval van het verstrijken van een pachtovereenkomst zonder dat de pachter recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, de lidstaten kúnnen bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, ter beschikking van de vertrekkende pachter wordt gesteld, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 13 juli 1989 (5/88, Wachauf/BRD, AB 1992, 14) geoordeeld dat de leden 1 en 4 van artikel 7 tezamen gelezen aantonen dat de gemeenschapswetgever de referentiehoeveelheid aan het einde van de pacht in beginsel wilde laten terugkeren naar de verpachter, die opnieuw de beschikking over het bedrijf verkrijgt, onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om de referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk aan de vertrekkende pachter toe te kennen. Met bedoeld oordeel van het Hof van Justitie is in overeenstemming de vaste rechtspraak van dit hof met betrekking tot het reguliere melkquotum, volgens welke rechtspraak het aan een pachter toegekende melkquotum dat is verkregen door de melkproductie op het gepachte in het referentiejaar, met het gepachte gaat samenhangen, met als gevolg dat de pachter bij beëindiging van de pacht het melkquotum aan de verpachter dient over te dragen. Bedoelde leden 1 en 4 van artikel 7 gelden onverkort voor het BSZB-quotum. Mede tegen de achtergrond van het beginsel van conforme interpretatie dat de verhouding tussen het nationale recht en het gemeenschapsrecht beheerst, moet daarom worden aangenomen dat BSZB-quotum op dezelfde wijze als het reguliere melkquotum met het gepachte is gaan samenhangen, voor zover de toekenning van dat quotum berust op de melkproductie op het gepachte. Dit laatste is in beginsel ook dan het geval indien, zoals in het onderhavige geval, bedoelde toekenning geheel of gedeeltelijk berust op de omstandigheid dat de pachter na 1 januari 1980 en vóór 31 januari 1991 investeringsverplichtingen is aangegaan ten behoeve van apparatuur voor de productie van zure boerderijzuivelproducten en/of op de omstandigheid dat de pachter in de periode van 1 september 1988 tot 31 januari 1991 investeringsverplichtingen is aangegaan van tenminste ƒ 20.000,— ten behoeve van de uitbreiding van het aantal standplaatsen met het oog op de uitbreiding van de rechtstreekse verkoop en/of levering van zure boederijzuivelproducten. Uit artikel 4 lid 2 en artikel 7 lid 1 BSZB volgt immers dat in zoverre voor de omvang van het toegekende quotum respectievelijk het (in 1990, art. 1 sub c BSZB) gerealiseerde productieniveau en de aan de hand van het aantal extra standplaatsen te berekenen toekomstige verhoging van het productieniveau bepalend is. Aldus is – evenals voor het reguliere melkquotum – de omvang van de melkproductie bepalend voor de omvang van het quotum, welke melkproductie (mede) mogelijk is doordat dat verpachter het gepachte ter beschikking van de pachter heeft gesteld. Dat de verpachter aldus mede profiteert van door de pachter gedane investeringen en inspanningen maakt een en ander niet anders. Ook in geval van het reguliere melkquotum geldt dat de verpachter mede profiteert van eventuele door de pachter (in de jaren voorafgaand aan het referentiejaar 1983) gedane investeringen. In dit verband moet worden bedacht dat eveneens volgens vaste rechtspraak van dit hof op de verpachter de verplichting rust om ter gelegenheid van de oplevering van het melkquotum door de pachter, een vergoeding te betalen die in overeenstemming is met de omvang van de bijdrage van de pachter in de opbouw van de melkproductie van het bedrijf, welke verplichting moet worden bezien tegen de achtergrond van het beginsel zoals dit ten grondslag ligt aan artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek. Aldus profiteert de pachter ook zelf van de door hem gedane investeringen en inspanningen. Op grond van de overweging dat zowel pachter als verpachter tot het ontstaan van het toegekende melkquotum hebben bijgedragen, de verpachter door het gepachte ter beschikking van de pachter te stellen en de pachter door het houden van melkvee, zonder dat in het algemeen aanleiding bestaat aan de bijdrage van de een meer gewicht toe te kennen dan aan die van de ander, is bedoelde vergoeding in het algemeen te stellen op 50% van de waarde van het melkquotum.
De uitspraak op rechtspraak.nl