Hof Arnhem 8 januari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC7519

Naar het voorlopig oordeel van het hof strekte het onder 2.7.1 onder 4 weergegeven vergunningsvoorschrift mede ter voorkoming van het risico van zettingschade aan in de omgeving gelegen panden ten gevolge van verlaging van de ondiepe grondwaterstand door de bemaling. Het hof vindt voor dat oordeel steun in de brief van Grontmij van 10 september 1990 die, met betrekking tot de ondiepe grondwaterstand en het belang daarvan voor het optreden van zettingen en mogelijke schade aan de aanwezige bebouwing, vermeldt dat belangrijk is dat de ondiepe grondwaterstand boven een niveau van NAP – 1,50m moet blijven en dat, afhankelijk van de actuele grondwaterstand, het onttrekkingsregime moet worden aangepast. Bij dat oordeel weegt mee dat het Grontmij is die als adviesbureau betrokken is geweest bij de uitwerking van het grondwatersaneringplan en bij de aanvraag voor de grondwateronttrekkingsvergunning (zie rapport Grontmij, maart 1987 en Aanvraag voor grondwateronttrekkingsvergunning ten behoeve van sanering voormalig gasfabrieksterrein te Heerenveen, Grontmij, augustus 1987). Alvorens op dit punt verder te beslissen wenst het hof kennis te nemen van de onder 2.14 nader te noemen bescheiden, opgesteld door Grontmij. Uit de stukken komt niet voldoende naar voren wanneer en in welke mate onderschrijdingen van het voorgeschreven minimale grondwaterpeil van – 1,5m NAP in welke peilbuizen is geconstateerd (de conclusie van dupliek, pag. 13, noemt de peilbuizen 5 en 13). Volgens het rapport Boorsma, pag. 12, zou dat in november 1988 zijn geweest, waarna de grondwateronttrekking tijdelijk zou zijn stilgelegd. Het Grontmij-rapport van mei 1990 noch het TCGB-rapport maakt daar melding van en het spoort ook niet met de cijfers in bijlage 2 bij het TCGB-rapport, die slechts stopzetting wegens laag water vermelden op drie dagen in 1989. Dit laatste gegeven sluit wel aan op de vermelding in het rapport-Boorsma, pag. 12 en 13, van “overschrijdingen” van het voorgeschreven minimale grondwaterpeil in de maanden september 1989 tot februari 1990. Het ligt op de weg van de Provincie die over de betreffende gegevens dient te beschikken, het hof in te lichten wanneer en in welke mate en in welke peilbuizen onderschrijdingen van het voorgeschreven grondwaterpeil hebben plaatsgehad. Blijft zij daarmee in gebreke, dan kan dat bijdragen aan het oordeel dat de bewijslast verlegd dient te worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen