Hof Arnhem 18 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC6926
Het hof stelt voorop dat reeds op grond van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet 1980 HGO als werkgever een algemene zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn van de werknemer had. Gevaren voor de gezondheid dienden op grond van die bepaling zoveel mogelijk te worden beperkt. Uit de memorie van toelichting op deze wet volgt ook dat de zorgplicht van de werkgever niet was beperkt tot het louter en alleen in acht nemen van hetgeen door de wet wordt voorgeschreven, maar dat deze zich onder omstandigheden ook kan uitstrekken tot het nemen van maatregelen waarin de wet niet of nog niet voorziet (Memorie van Toelichting bij de Arbeidsomstandighedenwet 1980, zitting 1976-1977, 14497, nr. 3, p. 11). Op grond van deze wet dient de werkgever zijn algemeen ondernemingsbeleid mede te richten op een zo groot mogelijke veiligheid en bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn van de werknemer (artikel 4 Arbeidsomstandighedenwet 1980). Op grond van het op 1 oktober 1990 in werking getreden Besluit van 20 september 1990 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: het Veiligheidsbesluit restgroepen) dient het verrichten van werkzaamheden zodanig te geschieden dat daarbij geen schadelijk geluid wordt veroorzaakt, tenzij zulks redelijkerwijze niet kan worden gevergd (artikel 50 lid 2 Veiligheidsbesluit restgroepen). In dit laatste geval moeten overeenkomstig een schriftelijk plan doeltreffende voorzieningen aangebracht zijn, waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat schadelijk geluid heerst in een ruimte waarin werknemers plegen te verblijven, tenzij zulks redelijkerwijze niet kan worden gevergd (artikel 50 lid 3 Veiligheidsbesluit restgroepen juncto artikel 4 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet). In gevallen waarin voorzieningen de werknemers onvoldoende bescherming bieden tegen het schadelijk geluid en in gevallen waarin het aanbrengen van vorenbedoelde voorzieningen redelijkerwijze niet kan worden gevergd, moeten overeenkomstig een schriftelijk plan doeltreffende maatregelen genomen zijn om de blootstellingsduur te beperken alsmede het aantal werknemers dat aan schadelijk geluid wordt blootgesteld zoveel mogelijk te beperken (artikel 50 lid 4 Veiligheidsbesluit restgroepen). In gevallen waarin werknemers kunnen worden blootgesteld aan een door de bevoegde minister voor de toepassing van dit artikellid vastgesteld schadelijk geluidsniveau, moeten passende gehoorbeschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar zijn (artikel 50 lid 6 Veiligheidsbesluit restgroepen). Ingevolge het Besluit van 16 november 1991 inhoudende een regeling vaststelling van en voorlichting over schadelijke geluidsniveaus (deze regeling heeft gegolden in de periode van 30 november 1991 tot 1 juli 1997) wordt als schadelijk geluidsniveau vastgesteld een equivalent geluidsniveau op de arbeidsplaats van 80 dB(A) (zie artikel 2 van voornoemd besluit). De werkgever diende derhalve vanaf dat niveau passende gehoorbeschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar te hebben (artikel 50 lid 6 Veiligheidsbesluit restgroepen). Ook op grond van het later in werking getreden Arbeidsomstandighedenbesluit volgt dat maatregelen moeten worden genomen tegen schadelijk geluid waarbij de norm voor het nemen van maatregelen uiteindelijk op 85 dB(A) per dag is gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl