Hof Arnhem 29 januari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5494
Overgangsrecht; niet-ontvankelijkheid. Art. 9, 36 en 58 Pachtwet; art. 7:368 e.v. BW; art. 74 Overgangswet Nieuw BW. De pachtkamer in eerste aanleg heeft geoordeeld dat opzegging van de pachtovereenkomsten kan geschieden in de periode van 30 oktober 2006 tot en met 30 oktober 2008. Nu de door verpachter gedane opzegging bij brief van 23 oktober 2005 buiten die periode valt is die opzegging niet rechtsgeldig. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de pachter niet-ontvankelijk verklaard in zijn verlengingsverzoek. Volgens verpachter is de pachtkamer in eerste aanleg uitgegaan van een kennelijke rekenfout, zodat het oordeel dat sprake is van een niet rechtsgeldige pachtopzegging onjuist is. Verpachter verwijst voorts naar een eerder tussen partijen gewezen vonnis waarin onder de vaststaande feiten is opgenomen ‘de pachtovereenkomst duurt thans voort tot 30 september 2008’. Het hof stelt voorop dat laatstgenoemd vonnis waarop verpachter zich beroept niet ziet op de rechtsbetrekking die thans in geschil is (althans: betrekking heeft op een andere rechtsvraag), zodat aan de in dat vonnis onder de vaststaande feiten opgenomen einddatum van de pachtovereenkomst in het onderhavige geding geen bindende kracht tussen partijen toekomt. Er is evenmin sprake van een kennelijke misslag. De pachtovereenkomsten zijn ingegaan op 1 oktober 1978. Hoewel twee van de vier pachtovereenkomsten betrekking hebben op los land, niet groter dan 1 hectare, mist artikel 58 Pachtwet in het onderhavige geschil toepassing nu de desbetreffende pachtovereenkomsten zijn aangegaan onder het vóór de inwerkingtreding op 31 oktober 1995 van de Wet van 12 oktober 1995 tot wijziging van de Pachtwet (Stb. 504) geldende en door deze wet (blijkens artikel II lid 1) geëerbiedigde recht, waarbij toepassing van de artikelen 9 en 36 Pachtwet werd uitgesloten voor pachtovereenkomsten die minder dan 0,25 hectare los land betroffen. Als gevolg daarvan blijven de artikelen 9 en 36 Pachtwet in het onderhavige geval van toepassing (waarvan partijen ook steeds zijn uitgegaan). Op grond van artikel 9 Pachtwet gaat de duur van de pachtovereenkomst pas in bij de aanvang van het pachtjaar volgende op dat waarin de overeenkomst is ingezonden, indien de pachtovereenkomst niet binnen twee maanden nadat zij is aangegaan aan de grondkamer ter goedkeuring is toegezonden. Het moment van het aangaan van de pachtovereenkomsten moet worden gelijkgesteld met het moment waarop de pachtovereenkomsten feitelijk zijn ingegaan, derhalve op 1 oktober 1978. Aldus moet worden geoordeeld dat de pachtovereenkomsten niet binnen twee maanden nadat zij zijn aangegaan aan de grondkamer ter goedkeuring zijn toegezonden, zodat de duur van de pachtovereenkomsten eerst is ingegaan bij de aanvang van het pachtjaar volgend op het pachtjaar waarin de overeenkomsten zijn ingezonden, te weten op 1 oktober 1979. Nu partijen in artikel 2 van de pachtovereenkomsten, in afwijking van de in artikel 1 genoemde duur van zes jaar, uitdrukkelijk als einddatum van de eerste pachttermijn 1 november 1984 zijn overeengekomen (welke einddatum in verband met de oogst van de op het land geteelde gewassen - die niet altijd vóór 1 oktober kan plaatsvinden, maar wel vóór 1 november - ook voor de hand lijkt te liggen), eindigen met inachtneming van het voorgaande de huidige pachtovereenkomsten op 31 oktober 2009. De pachtopzegging van 23 oktober 2005 is, nu die opzegging niet eerder kan geschieden dan drie jaren voor het einde van de lopende pachtovereenkomsten, gelegen buiten de termijn waarbinnen de opzegging rechtsgeldig kan worden gedaan en heeft aldus geen rechtsgevolgen. Conclusie: de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl