Hof Arnhem 26 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5149

Aan de orde is de vraag of het hof bevoegd is te oordelen over de tussentijdse toetsing van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Het hof dient in deze zaak een oordeel te geven over de vraag of met de rechter in artikel 38s Wetboek van Strafrecht wordt gedoeld op de rechter die de maatregel heeft opgelegd of op de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd. Het hof is van oordeel dat uit de parlementaire geschiedenis en het systeem van de wet voldoende duidelijk blijkt dat de wetgever bij de regeling van de SOV en – in het verlengde daarvan – ook de ISD aansluiting heeft willen zoeken bij de regeling van de TBS en dat derhalve met de rechter in artikel 38s Wetboek van Strafrecht wordt gedoeld op de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd. Aangenomen moet worden, dat de wetgever de veroordeelde en het OM een rechtsmiddel heeft willen bieden tegen een als onjuist ervaren beslissing op dit stuk, en dat daarbij gekozen is voor een beroep bij de Penitentiaire Kamer van het gerechtshof te Arnhem, Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze waarborg door de wetgever niet noodzakelijk wordt geacht, indien de ISD-maatregel niet is opgelegd door een rechtbank, maar door een hof, en het hof kan evenmin aannemen, dat er een hinkend stelsel van rechtsmiddelen zou gelden inzake beslissingen inzake voortzetting van de maatregel van ISD. Het hof komt tot het oordeel, dat aan de wetgever voor ogen heeft gestaan een stelsel dat overeenkomt met de bepaling van art. 509p Sv. Logischerwijze en bezien vanuit een redelijke wetsystematiek moet worden aangenomen dat de wetgever in artikel 509z lid 2, 509aa en 509ff Sv met betrekking tot de ISD-maatregel hetzelfde regiem in het leven heeft willen roepen als dat van art. 509p jo. 509v Sv met betrekking tot de TBS-maatregel. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof zich onbevoegd verklaart tot de tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen