Hof Arnhem 21 augustus 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC9305

De vordering van T & M, die gebaseerd is op het instaan door [geïntimeerde] voor de volmacht, kan naar het oordeel van het hof niet onder één van de hierboven genoemde begrippen (verbintenis uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad) geschaard worden: niet gezegd kan worden dat het instaan voor de volmacht door de pseudo-gevolmachtigde los staat van of “geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst” (rov. 21 HvJ EG) en daarom als een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van art. 5 sub 3 EEX-Vo verstaan moet worden. Immers, de aansprakelijkheid van de pseudo-vertegenwoordiger (hier: [geïntimeerde]) tegenover de derde (hier: T & M) kan in dit geval niet lós gezien worden van de ingeroepen verbintenis (de koopovereenkomst) zelf. Feiten of omstandigheden die een zelfstandige grondslag zouden kunnen vormen voor een vordering uit onrechtmatige daad wegens het ontbreken van een volmacht (vgl. HR 31 januari 1997, NJ 1998, 704), zijn door [geïntimeerde] echter niet gesteld en overigens ook niet gebleken. Verder kan niet gezegd worden dat er hier – door onbevoegde vertegenwoordiging – een overeenkomst (tussen T & M en [geïntimeerde]) tot stand is gekomen, hooguit een bindingssanctie. Dit betekent dat het instaan voor een volmacht niet als “verbintenis uit overeenkomst” in de zin van art. 5 sub 1a EEX-Vo kan worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen