Hof Arnhem 4 december 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC4872
Hieromtrent overweegt het hof dat voor een dergelijk verbod slechts onder uitzonderlijke omstandigheden plaats is, hetgeen met name het geval zal kunnen zijn indien de betrokken crediteur door beslag te gaan leggen ten laste van de betrokken schuldenaar misbruik van (beslag)recht jegens deze maakt, in welk geval sprake is van dreigend onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. In dat geval zou een verbod als door [appellant] gevorderd gerechtvaardigd zijn. Daartoe is ten minste vereist dat [appellant] feiten en omstandigheden heeft gesteld die voldoende aannemelijk maken dat de Ontvanger misbruik van recht zou maken indien hij opnieuw beslag zou leggen op de woning van [appellant]. Dit is niet het geval. Ook indien (slechts veronderstellenderwijs) ervan zou worden uitgegaan dat de Ontvanger niet opnieuw beslag zou mogen leggen op de woning van [appellant] voor de twee vorderingen die nog niet geheel vaststaan – de omvangrijke aanslagen omzetbelasting onder de nummers [...] en [...] (waarvan nog bedragen openstaan ter hoogte van € 432.465,- resp. € 495.798,-) –, omdat deze zouden worden vernietigd, geldt dat [appellant] ook nog voor een drietal andere aanslagen omzetbelasting en voor een viertal aanslagen loonheffing – waarvan de (onvoldoende gemotiveerd weersproken) hoogte in totaal € 79.287,- exclusief invorderingsrente bedraagt (zodat de totale jegens [appellant] gepretendeerde vordering van de Ontvanger uitkomt op een bedrag van € 1.007.550,-, waarvoor het beslag op de woning van [appellant] was gelegd) – door de Ontvanger aansprakelijk is gesteld. Nu deze vordering reeds meer bedraagt dan de waarde van de in pand gegeven roerende zaken (ter waarde van € 45.000,-), kan hieruit reeds worden geconcludeerd dat voor een verbod als door [appellant] gevorderd geen plaats is. Dat [appellant] gemotiveerd heeft betoogd dat deze vordering, anders dan de Ontvanger heeft gesteld, nog geenszins zou vaststaan, doet daaraan niet af. Dat laatste zou slechts anders kunnen zijn indien de betrokken vordering reeds op het eerste gezicht iedere grond zou missen, hetgeen [appellant] – op wiens weg dat lag – echter in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl