Hof Arnhem 30 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB8638
Tussenarrest 30 januari 2007. 36 e.v., 58 Pw. bewijsopdracht ad mondelinge afspraken; hoger beroep door één van de gedaagden in eerste aanleg; oproeping van mede-partij. Pachter stelt zich op het standpunt: a. dat hij medio 1995, dus vóór de wetswijziging per 31 oktober 1995, met de rentmeester van verpachtster heeft afgesproken dat hij door betaling van pachtpenningen over de periode 1992-1995 met terugwerkende kracht “pachtrechten” zou verkrijgen, althans b. dat de schriftelijke pachtovereenkomst van 14 februari 1996 moet worden uitgelegd in het licht van voorafgaande mondelinge afspraken met de rentmeester, onder meer inhoudende dat pachter het perceel altijd zou kunnen blijven gebruiken en dat verpachtster het perceel bij vervreemding aan pachter zou aanbieden. Uitgaande van het onder a weergegeven standpunt is de opzegging in strijd met art. 36 lid 2 Pachtwet gedaan. Uitgaande van het onder b weergegeven standpunt is de opzegging in strijd met de inhoud van de pachtovereenkomst. In beide gevallen duurt de pachtovereenkomst tussen pachter en verpachtster nog steeds voort. Pachter wordt in de gelegenheid gesteld een en ander te bewijzen. Pachter heeft behalve zijn wederpartij in eerste aanleg, de nieuwe pachter van hetzelfde perceel, ook verpachtster opgeroepen om in hoger beroep te verschijnen. Zowel uit de appèldagvaarding als uit de memorie van grieven volgt dat pachter geen beslissing ten nadele van verpachtster nastreeft. Daaruit volgt dat het hoger beroep van pachter zich niet tegen verpachtster richt. Wel heeft pachter verpachtster opgeroepen om in dit geding te verschijnen. Voor een zodanige oproeping bestond ook goede aanleiding, omdat de feitelijke grondslag van het door de grieven opnieuw aan de orde gestelde verweer van pachter tegen de vorderingen van de nieuwe pachter ook verpachtster aangaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl