Hof Arnhem 16 november 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB8300
Betrokkene heeft in Nederland geen verblijfsstatus. De tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging van vreemdelingen zonder verblijfsstatus vormt een probleem. De problematiek spitst zich in de executiefase toe op de reïntegratie van vreemdelingen zonder verblijfsstatus in de Nederlandse samenleving. Gelet op die status wordt in de praktijk van de tenuitvoerlegging van de maatregel door de Minister van Justitie geen machtiging tot het verlenen van enige vorm van verlof verleend. Enerzijds bestaat behoefte aan nader onderzoek naar de mogelijkheden in België van een op het stadium van de terbeschikkingstelling van betrokkene aansluitende voorziening, hetzij in het kader van een internering dan wel anderszins. Anderzijds dient het hof de mogelijkheid onder ogen te zien dat de pogingen tot het tot stand brengen van een passende voorziening in België niet zullen slagen. Verlenging van de terbeschikkingstelling onder deze omstandigheden zonder nadere voorzieningen zou ertoe leiden dat betrokkene in een situatie blijft dan wel weer terecht komt die niet of nauwelijks verschilt van het regime van een gevangenis of die in feite zou neerkomen op plaatsing in een longstay voorziening. Nu het alternatief van een voortgezet verblijf na een (mogelijke) opheffing van de ongewenstverklaring onvoldoende is onderzocht zal het hof de betrokkene niet alleen in de gelegenheid stellen om een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring te doen maar ook aan de Advocaat-Generaal naar het standpunt van de staatsecretaris van justitie in deze te vragen en tevens verzoeken een door de Advocaat-generaal nader te bepalen functionaris van desbetreffende afdeling van het ministerie van Justitie als deskundige op te roepen voor de voortzetting van de behandeling van de zaak.
De uitspraak op rechtspraak.nl