Hof Arnhem 23 oktober 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB6658
Art. 25 Pachtwet. Melkquotum Het hof stelt voorop dat overeenkomstig zijn vaste rechtspraak voor de vraag welk gedeelte van het aan een pachter in 1984 toegekende melkquotum met het gepachte is gaan samenhangen, de hoeveelheid grond die de pachter in het referentiejaar 1983 direct of indirect ten behoeve van de melkproductie in gebruik had, bepalend is. Ook grond die uitsluitend ten behoeve van voederwinning is benut, telt mee, mits kan worden gezegd dat die grond in het jaar 1983 ten behoeve van de melkproductie bij de pachter in gebruik is geweest; de omstandigheid dat van bepaalde grond in 1983 eenmalig een grassnede is gewonnen of eenmalig op die grond naweide heeft plaatsgevonden, is in dit verband in ieder geval onvoldoende. Weliswaar wordt de vraag of en hoeveel melkquotum met het gepachte is gaan samenhangen, mede door de eisen van redelijkheid en billijkheid beheerst, maar dit betekent niet dat omstandigheden zoals door pachter aangevoerd (zie arrest) op zichzelf genomen – dus los van aanvullende feiten of omstandigheden – zouden kunnen meebrengen dat niet een aan het grondgebruik evenredige hoeveelheid melkquotum met het gepachte is gaan samenhangen. In dit verband is van belang dat de praktijk behoefte heeft aan hanteerbare criteria, waarmee een – noodzakelijkerwijs complex en lastig af te bakenen – debat over het opbrengend vermogen van ten behoeve van de melkproductie gebruikte grond zich slecht verdraagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl