Hof Arnhem 1 oktober 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB4549

Aan de orde is de vraag of tegen een tussentijdse toetsing van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders door een gerechtshof beroep open staat bij de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem. Voor de beoordeling van die vraag zijn in het bijzonder de eerste zin van artikel 38s, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering en artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie van belang. Het hof concludeert dat tegen een door een gerechtshof - anders dan door de rechtbank - genomen beslissing omtrent de tussentijdse beoordeling door de betrokkene geen beroep op de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem openstaat. Vervolgens rijst de vraag of er andere gronden bestaan die ertoe leiden aan te nemen dat ook dan beroep op de voormelde kamer open staat. Het hof constateert dat verschillende keuzes denkbaar zijn, waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard zijn betrokken en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel kunnen worden gesteld. Daarvan uitgaande moet worden aangenomen dat het openstellen voor de betrokkene van hoger beroep valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat betrokkene niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen